Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 27 mei 2014
ECLI:NL:RBNNE:2014:2609
X/Arriva Personenvervoer B.V.
Werknemer is van medio 1967 tot 1970 als timmerman in dienst geweest bij Pleijsier Bouw B.V. Tijdens de uitoefening van die werkzaamheden is hij mogelijk aan asbest blootgesteld. Werknemer is van 1970 tot 1972 in dienst geweest bij Transportbedrijf Driessen en is van 1972 tot 2005 als chauffeur in dienst geweest bij Arriva. In de periode dat werknemer bij Arriva werkzaam was, werden de bussen 's nachts in de stalling geparkeerd en overdag veelal ervoor. In de remvoeringen van de bussen werd wit asbest gebruikt. Werknemer kwam met regelmaat in de garage. Aanvankelijk werden de remmen van de bussen met perslucht schoon geblazen. Begin jaren tachtig heeft Arriva haar werkwijze veranderd en werden de remmen schoongespoeld in een speciaal daarvoor bestemde wasbak- en machine. Bij werknemer is in juli 2008 de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Werknemer heeft zowel Pleijsier als Arriva in kort geding aansprakelijk gesteld, omdat hij bij hen in aanraking zou zijn gekomen met asbest. De voorzieningenrechter en het hof hebben de vorderingen afgewezen (zie AR 2011-0283). Werknemer is op 31 december 2010 overleden aan de gevolgen van de ziekte maligne mesothelioom. In de onderhavige procedure stelt de erfgename van werknemer Arriva op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Gelet op de verklaringen van oud-collegas van werknemer, drie getuigenverklaringen en vanwege het feit dat Arriva heeft aangevoerd dat de kans bestaat dat werknemer witte asbestdeeltjes heeft ingeademd als hij door de werkplaats liep en dat Arriva echter niet voor 100% kan uitsluiten dat werknemer witte asbestdeeltjes heeft binnengekregen tijdens zijn dienstverband met Arriva wordt aangenomen dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden één of meerdere asbestvezels heeft ingeademd. Ten aanzien van schending van de zorgplicht wordt het volgende overwogen. Uit deskundigenoordelen blijkt dat de Nederlandse overheid in de jaren zeventig en tachtig niet erg voortvarend is opgetreden waar het gaat om preventie tegen blootstelling aan asbest, in de vorm van bijvoorbeeld voorlichting en de vaststelling van grenswaarden. Die terughoudendheid is temeer van belang nu Arriva geen producent of (directe) verwerker van asbest is. Het enkele feit dat Arriva bussen gebruikte waarvan het remsysteem was voorzien van wit asbest, maakt niet dat zij als verwerker van asbest kan worden aangemerkt. Nu werknemer chauffeur was en mitsdien niet gedurende de hele dag in de werkplaats aanwezig was, maar hier slechts af en toe doorheen liep, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de gemiddelde blootstelling van werknemer aan wit asbest de voor die tijd mede gezien de controverse ten aanzien van de (specifieke) gevaren van (wit) asbest en het niet consistente overheidsbeleid acceptabel geachte MAC-waarde van 2 vezel/ml heeft overschreden. Arriva treft geen verwijt dat zij geen specifieke maatregelen heeft getroffen die erop gericht waren de door wit asbest veroorzaakte gezondheidsschade te voorkomen. Arriva heeft haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 lid 1 BW niet geschonden jegens werknemer. Volgt afwijzing van de vorderingen.