Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 maart 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:976
werknemer/Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer
Werknemer is op 1 augustus 1986 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Euroclear. In 2007 hebben partijen onderhandeld over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst tot een einde zou komen. Uitgangspunt daarbij was in elk geval dat werknemer gebruik zou maken van de levensloopregeling om de datum van uitdiensttreding te verschuiven naar een latere datum dan die waarop hij feitelijk zou stoppen met werken. In mei 2008 zijn partijen tot overeenstemming gekomen over de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en hebben dit vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Partijen verschillen thans van mening over de vraag of op basis van de afspraken werknemer tot 30 september 2013 in dienst zou blijven (zodat de levensloopregeling ten volle benut zou kunnen worden) of dat de uitdiensttreding nog open stond en voor werknemer op 30 september 2016 is bepaald.
Het hof oordeelt als volgt. Dat het destijds de bedoeling van Euroclear was dat werknemer bij het bereiken van de 62-jarige leeftijd met prepensioen zou gaan en dat hij gedurende de daarvoor gelegen periode gebruik zou maken van de levensloopregeling wordt bevestigd door de hiervoor vermelde berekeningen die Euroclear door haar pensioenadviseur heeft laten maken. Ook werknemer ging daarvan uit. Dat blijkt uit zijn e‑mail van 12 november 2007 waarin hij 31 augustus 2013 noemt als einddatum van de arbeidsovereenkomst. Ook de interne e-mail van Euroclear van 4 december 2007 sluit daarop aan. In zijn e-mail van 19 december 2007 aan X spreekt werknemer over ‘de door jou gegeven getallen’ waarbij hij de verwachting uitsprak dat er geen ‘showstoppers’ zouden zijn. Werknemer stelt niet dat deze getallen uitgingen van een andere einddatum van de arbeidsovereenkomst dan die welke hij in zijn e-mail van 12 november 2007 noemde. Bovendien acht het hof de door Euroclear voor het schrappen van de datum in de vaststellingsovereenkomst opgegeven reden, kort gezegd de toen heersende onduidelijkheid met betrekking tot de fiscale uitleg van de vut-regeling, welke reden werknemer op zichzelf niet heeft bestreden, aannemelijk. Tegen de achtergrond van de duidelijke bewoordingen van de meergenoemde e-mail van 12 november 2007 waarin werknemer ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen met het ingaan van zijn prepensioen had het dan ook op zijn weg gelegen uiteen te zetten wat de financiële consequenties zouden zijn geweest die voor hem reden waren daarvan terug te komen en die Euroclear ertoe zouden hebben gebracht ermee in te stemmen dat het levensloopverlof tot 30 september 2016 en dus de arbeidsovereenkomst tot 30 september 2016 zou voortduren. Voor een toelichting van de kant van werknemer was temeer reden nu vaststaat dat uitstel van het eindigen van de arbeidsovereenkomst zou leiden tot een extra kostenpost van € 200.000 en het saldo op de levenslooprekening daarvoor niet toereikend was. Nu deze onderbouwing ontbreekt moet het ervoor worden gehouden dat partijen het uitgangspunt dat werknemer op 30 september 2013 met prepensioen zou gaan en dat op die datum de arbeidsovereenkomst zou eindigen niet hebben verlaten, ook al is deze datum – om reden als hiervoor weergegeven – niet in de vaststellingsovereenkomst vermeld.