Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 8 april 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:1241
FNV Bondgenoten en 26 werknemers/KLM
Werknemers zijn als steward/stewardess bij KLM in vaste (deeltijd)dienst gekomen in de jaren zeventig, tachtig of begin negentig. Voordien hadden zij allen al bij de KLM gewerkt op basis van een (of meer) stand-by-overeenkomst(en), waarbij op min of meer incidentele basis werkzaamheden werden verricht. Een aantal van hen had voordien, voorafgaand aan laatstbedoelde werkzaamheden, ook reeds bij KLM gewerkt op basis van een (voltijds)overeenkomst voor bepaalde tijd. Bij de inschaling op het moment waarop werknemers in vaste dienst traden heeft KLM de werkervaring, opgedaan tijdens de stand-by-overeenkomsten en de (eventuele) overeenkomsten voor bepaalde tijd buiten beschouwing gelaten. Bij uitspraken van 15 januari 1997 heeft de CGB met betrekking tot een drietal (niet in onderhavige procedure betrokken) werkneemsters van KLM, waarvoor het hiervoor onder (1) vermelde evenzo van toepassing is, geoordeeld dat KLM jegens hen indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in (het toenmalige) artikel 7A:1637ij BW zonder dat dit objectief gerechtvaardigd is. KLM heeft daarop met VNC de Regeling getroffen. Ingevolge de Regeling is de werkervaring uit stand-by-overeenkomsten, mits tussen de overgang van de stand-by-overeenkomst naar het vaste dienstverband niet meer dan drie maanden verstreken waren, alsnog – in de in de Regeling beschreven mate – in beschouwing genomen voor diegenen die op of na 1 januari 1988 in vaste dienst waren gekomen en wel vanaf 1 juli 1999. Aan betrokkenen zijn, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1999, nabetalingen verricht. Bij brief van 1 maart 2001 heeft FNV namens een aantal leden, waaronder vijftien in deze procedure betrokkenen, aanspraak gemaakt op een verdergaande honorering van werkervaring van stand-by’s dan waarin de Regeling voorziet. FNV c.s. vorderen in deze procedure (zoals op een enkel punt ter zitting in hoger beroep nader toegelicht en zakelijk weergegeven) te verklaren voor recht dat (a) KLM verboden onderscheid maakt naar geslacht door de werkervaring opgedaan vóór 1988 niet dan wel onvoldoende te compenseren bij het in vaste dienst treden; (b) de Regeling de door de CGB vastgestelde ongelijke behandeling niet opheft voor diegenen onder appellanten (in het petitum opgesomd) die vóór 1988 in vaste dienst zijn getreden; (c) de werkervaring opgedaan in tijdelijke vijfjaarscontracten en/of andere vaste contracten die met een interval van maximaal drie maanden zijn voorafgegaan aan de stand-byperiode dient te worden meegenomen bij de berekening van het gemiddeld aantal gemaakte vlieguren bij het in vaste dienst treden; (d) een gemiddeld aantal van 20, althans 22 vlieguren per maand voldoende relevante ervaring is om met de desbetreffende jaren (op basis van 50%) bij de inschaling in vaste dienst rekening te houden. KLM heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen zijn verjaard. De kantonrechter heeft in gelijke zin geoordeeld en de vorderingen van FNV c.s. afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Met betrekking tot vorderingen sub a en b verwijst het hof naar een eerder gewezen arrest van dit hof waarin het heeft geoordeeld dat de Regeling een objectief gerechtvaardigd onderscheid maakt, behoudens bijzondere gevallen waarin de toepassing tot een onevenredig resultaat zou leiden ten opzichte van het geleden nadeel. Daarvan (deze uitzondering) is hier geen sprake. Bij dit alles komt nog dat de vorderingen – zoals de kantonrechter heeft overwogen – zijn verjaard. De vorderingen van FNV c.s. zijn alle terug te voeren op de verplichting tot juiste inschaling op het moment waarop werknemers in dienst traden. De vorderingen uit hoofde van die verplichting zijn verjaard vijf jaar na de respectieve data van indiensttreding, althans vijf jaar na de door de rechtbank ter zake in acht genomen datum 18 november 1999, de dag waarop de Regeling tot stand kwam (KLM heeft tegen dit onderdeel van het vonnis voorwaardelijk gegriefd, maar aan die grief komt het hof niet toe, nu de voorwaarde niet is vervuld). De loonvorderingen van werknemers moeten als sequeel van deze hoofdverplichting van KLM worden gezien en verjaren daarmee ingevolge artikel 3:312 BW op hetzelfde moment als de vordering uit deze hoofdverplichting, derhalve op 18 november 2004, tenzij tijdig gestuit. Voor zover FNV c.s. mochten hebben beoogd te betogen dat hun vorderingen zijn gestuit door de exploten die in een eerdere procedure zijn uitgebracht, stuit dat betoog af op het bepaalde in artikel 3:316 lid 2 BW, nu de met de in deze procedure min of meer overeenkomende vorderingen voor recht in die procedure zijn afgewezen (waarbij voorts nog geldt dat die exploten hoe dan ook slechts stuitende werking konden hebben voor diegenen onder werknemers die destijds in de bewuste procedure betrokken waren). Dat destijds een andere verklaring voor recht wel werd toegewezen maakt dit niet anders. Waar de stuitingshandeling van 1 maart 2001 niet binnen vijf jaar is gevolgd door een nieuwe stuitingshandeling, valt het doek voor de vorderingen van werknemers.