Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10 juni 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:4649
werknemer/Triple P Facilities BV
Werknemer is met ingang van 1 mei 1999 bij Triple P Nederland B.V. in dienst getreden. Met ingang van 1 juli 2008 zijn de activiteiten van Triple P Nederland B.V. in verschillende businessunits ondergebracht en is Triple P Facilities de nieuwe werkgever van werknemer geworden. In de periode 2008-2009 is het personeelsbestand van de Triple P-groep van 247 tot 146 gekrompen. In april 2009 verzoekt Triple P toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst met onder meer werknemer op te zeggen wegens verval van functie. Werknemer betwist dat zijn functie is komen te vervallen, dan wel dat er geen passende arbeid voor hem beschikbaar is. Desalniettemin heeft UWV toestemming verleend. De arbeidsovereenkomst is per 1 september 2009 opgezegd. Werknemer is vanaf maart 2009 tot einde dienstverband vrijgesteld van werk met behoud van loon. Per 1 januari 2010 heeft werknemer een nieuwe dienstbetrekking gevonden. De centrale vraag is of sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.
Het hof oordeelt als volgt. Triple P heeft gemotiveerd aangevoerd dat de leeftijd van werknemer geen beletsel is om elders in de ICT-wereld een passende werkkring te vinden, dat werknemer als automatiseerder voldoende kansen heeft op een passende werkkring elders en dat in een beheerfunctie zoals werknemer die vervulde genoeg plaatsen, hetzij bij ICT-leveranciers, hetzij bij een gebruikersorganisatie, voorhanden zijn. Die gemotiveerde verwachting van Triple P is bewaarheid geworden, aangezien werknemer met ingang van 1 januari 2010 in dienst is getreden van een nieuwe werkgever. Of dit mogelijk (mede) te danken is geweest aan het feit dat werknemer vanaf 24 maart 2009 tot het einde van zijn dienstverband was vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, waardoor hij in de gelegenheid was om te solliciteren, acht het hof niet van belang. Feit is dat werknemer gedurende zeer korte tijd werkloos is geweest en dat, voor zover het zijn basissalaris betreft, sprake is geweest van een tijdelijke én geringe inkomensachteruitgang. Werknemer ontving in september en oktober 2009 75% van zijn laatstgenoten salaris als WW-uitkering en in november en december 2009 70% van dat salaris. Werknemer heeft voorts geen inzage verstrekt met betrekking tot zijn inkomenspositie vanaf 1 januari 2010, zodat hij op dat punt zijn stelling dat de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband voor hem té ernstig zijn in vergelijking met het zwaarwegend belang van Triple P bij deze beëindiging, onvoldoende heeft onderbouwd.