Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 22 juli 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:5831
werknemer/werkgever
Werknemer (geboren 1962) en woonachtig is Italië is op 31 januari 2011 in dienst getreden van werkgever. Hij verricht voor werkgever chauffeurswerkzaamheden in Noord-Italië (800 km van zijn woonadres). Door de week verblijft werknemer in Noord-Italië. In het weekend keert hij terug naar zijn gezin. In oktober 2011 vordert werknemer op grond van artikel 39 CAO Beroepsgoederenvervoer € 7.648 aan reiskosten. Werkgever weigert deze kosten te vergoeden en stelt zich op het standpunt dat partijen uitdrukkelijk de ‘terminal in Noord-Italië’ als zijn standplaats hebben benoemd vanwege de enorme afstand tussen woon- en werkplaats. Vervolgens verslechtert de arbeidsverhouding. Werknemer weigert op enig moment de voorschriften van een klant te volgen en meldt zich in december ziek. Werknemer vordert thans loon ex artikel 7:629 BW en uitbetaling van reiskosten en reisuren conform de cao.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer klaagt dat de kantonrechter werknemer niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een 629a-verklaring. Het hof oordeelt dat deze grief op zich terecht is voorgedragen. Weliswaar is op de (voortgezette) arbeidsovereenkomst impliciet Nederlands recht van toepassing verklaard waarvan beide partijen ook uitgaan, maar nu het hier gaat om een arbeidsovereenkomst met een in een andere lidstaat woonachtige werknemer en de werkzaamheden buiten Nederland dienden plaats te vinden, valt deze arbeidsovereenkomst voor wat betreft de aanspraken van de werknemer bij ziekte, onder het toepassingsbereik van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (verder: EU-basisverordening) en de uitvoeringsverordening 987/09. Deze verordeningen bevatten voorschriften ter coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels teneinde het vrije verkeer van werknemers te bevorderen. De basisverordening bevat (onder meer) bepalingen voor prestaties bij ziekte. Werknemer valt onder de personele werkingssfeer van de basisverordening (art. 2). Uit hetgeen het HvJ EU heeft overwogen in zijn arrest van 3 juni 1992, C-45/90, Jur. 1992, p. I-3423 (hierna: Paletta I) volgt dat (1) de Nederlandse loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte ex artikel 7:629 BW aangemerkt dient te worden als een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 3 lid 1 onder a van de basisverordening; (2) werkgever van werknemer dient te worden aangemerkt als ‘bevoegd orgaan’ in de zin van artikel 1 onder q sub iv van de basisverordening. Weliswaar is voornoemd arrest van het HvJ EU (destijds EG) gewezen onder de toen van toepassing zijnde verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72, maar de voor dit geschil relevante bepalingen zijn niet wezenlijk gewijzigd. Werknemer heeft voldaan aan zijn verplichting om op grond van artikel 27 lid 1 van de toepassingsverordening een arbeidsongeschiktheidsverklaring van zijn arts te vragen en over te leggen. De ‘termijn’ waarvan in lid 2 sprake is, dient in het licht van het bepaalde van de ontvankelijkheidseis ex artikel 7:629a BW naar het oordeel van het hof te worden geduid als ‘bij de eis’, dus bij inleidende dagvaarding, waaraan in dit geval is voldaan. Ook de weigering om op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen heeft de kantonrechter ten onrechte ten nadele van werknemer laten meewegen, gelet op het bepaalde in artikel 87 lid 2 van de toepassingsverordening. Werkgever heeft immers niet gesteld dat zij bereid was de reis- en verblijfkosten voor een dergelijke controle voor haar rekening te nemen, noch blijkt zulks anderszins uit het dossier. Het voorgaande neemt niet weg dat werknemer dient te bewijzen dat sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Hierin is werknemer niet geslaagd. Hij heeft enkel aangetoond dat een arts heeft vastgesteld dat er enkele klachten waren, maar een eventuele arbeidsongeschiktheid is daarmee niet vastgesteld. Ook de vordering wegens reiskosten en reisuren faalt. Duidelijk is dat partijen als standplaats Italië zijn overeengekomen.