Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Vereniging tot het verstrekken van basisonderwijs op Reformatorische grondslag
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 30 juli 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:4839

werknemer/Vereniging tot het verstrekken van basisonderwijs op Reformatorische grondslag

Ontbinding arbeidsovereenkomst leerkracht vanwege verstoorde arbeidsrelatie na schorsing. Riante bovenwettelijke uitkering staat niet aan het toekennen van een neutrale ontbindingsvergoeding in de weg.

Werknemer is sinds 1 augustus 1994 als leerkracht/teamleider in dienst van de Vereniging basisonderwijs op Reformatorische Grondslag. Op 22 februari 2014 is hij geschorst. De school waar werknemer werkzaam is, heeft het voornemen geuit hem op 14 april 2014 weer toe te laten tot het werk. Op 27 maart 2014 is het personeel daarvan in kennis gesteld. In reactie daarop hebben op 28 maart 2014 een aantal personeelsleden het bestuur, de toezichtcommissie en de vertrouwenspersoon een ‘hartenkreet’ gezonden, meegedeeld dat de veiligheid in de school, voor kinderen en personeelsleden, alleen gegarandeerd en geboden kon worden als werknemer afwezig was en dringend verzocht om een gesprek met de school. De school heeft werknemer vervolgens laten weten dat terugkeer op het werk niet mogelijk en wenselijk is. Thans verzoekt werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst, onder toekenning van een vergoeding met C=3. Hij stelt dat hij naar aanleiding van een klacht van de ouders van een leerling is geschorst. Er heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. Door de diffamerende communicatie over de redenen van de schorsing heeft de school verwijtbaar en onrechtmatig jegens hem gehandeld. De verstoorde arbeidsrelatie is volgens werknemer te wijten aan de school. De school heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu beide partijen om ontbinding verzoeken, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Ten aanzien van de vergoeding wordt overwogen dat in deze ontbindingsprocedure moet worden aangenomen dat de eind maart 2014 ontstane conflictueuze situatie op de school en de verstoorde arbeidsrelatie niet aan werknemer zijn te wijten. Van belang is wel dat het conflict dat tijdens de bijeenkomst van leraren en/of personeel van de school op 29 maart 2014 is ontstaan en dat – in de woorden van de school – een eigen dynamiek kende, in de risicosfeer van de school ligt, ook al zou de school in het ontstaan daarvan geen rol hebben gespeeld. Deze procedure leent zich niet voor een diepgaand onderzoek naar de over en weer aangedragen feiten. Het argument van de school dat werknemer aanspraak heeft op een omvangrijke (aanvullende en aansluitende) bovenwettelijke uitkering, die door haar als ‘riant’ wordt omschreven, hetgeen zou moeten leiden tot ontzegging van enige vergoeding, wordt gepasseerd. Het bestaan van de wachtgeldregeling staat in de gegeven omstandigheden aan toekenning van een neutrale vergoeding niet in de weg. De stelling van de school dat in onderwijszaken als de onderhavige het ontzeggen van een vergoeding niet meer is dan een billijke correctie ter voorkoming van overbevoordeling van onderwijspersoneel boven werknemers bij andere instellingen en bedrijven, speelt in het billijkheidsoordeel van de kantonrechter geen rol. Overigens is, in abstracto geoordeeld, geen grond aanwezig voor deze stelling. Er wordt een vergoeding toegekend met C=1 (€ 63.300 bruto).