Rechtspraak
X/werkgeefster
Werknemer is in 1969 en 1970 als timmerman werkzaam geweest en aan asbeststof blootgesteld. In september 2011 is bij hem mesothelioom vastgesteld. Op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers is een voorschot van € 18.392 aan schadevergoeding toegekend. Werknemer is in december 2012 overleden. X, de erfgename van werknemer, stelt werkgeefster aansprakelijk. X stelt dat werkgeefster haar zorgplicht heeft geschonden doordat zij geen maatregelen heeft genomen om werknemer tegen de gezondheidsrisico’s te beschermen die het werken met asbesthoudende materialen meebrengt. X verwijst, wat de bekendheid met het gevaar van asbest betreft, naar verschillende publicaties. Werkgeefster stelt dat met werknemer geen arbeidsovereenkomst is overeengekomen en beroept zich op verjaring.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, wordt geoordeeld dat de asbestblootstelling van werknemer (in 1969/1970) heeft plaatsgevonden in de periode dat weliswaar bekend werd dat ook een incidentele, kortdurende asbestblootstelling gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, maar nog niet van werkgeefster gevergd kon worden dat zij ter bescherming van werknemer al veiligheidsmaatregelen nam. Het beroep van X op HR 25 juni 1993 (NJ 1993, 686, Cijsouw/De Schelde I) slaagt niet, omdat werknemer voor werkgeefster niet langer dan ruim een jaar, naast andere werkzaamheden, met asbesthoudend materiaal heeft gewerkt. Van schending van de zorgplicht is geen sprake geweest.
Bovendien had de vordering niet kunnen slagen, omdat deze is verjaard. Het primaire beroep op artikel 3:310 lid 4 (nieuw) BW (het nieuwe vierde lid van art. 3:310 BW is ingevoerd bij wet van 27 september 2012 tot wijziging van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek in geval van schade veroorzaakt door strafbare feiten (Stb. 2012, 454)) faalt. X heeft onder andere gesteld dat werkgeefster zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling met voorbedachten rade die de dood van werknemer tot gevolg heeft gehad. De verjaringstermijn voor dit strafbaar feit was ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3:310 lid 4 BW op 1 april 2013 reeds verstreken, zodat dit nieuwe artikel niet kan worden toegepast. Het beroep op artikel 3:310 lid 4 (nieuw) BW faalt bovendien, omdat in dit geding niet kan worden geconcludeerd dat werkgeefster jegens werknemer (een van) de door X genoemde doleuze strafbare feiten heeft begaan.
Tot slot wordt geoordeeld dat het beroep op artikel 3:310 lid 2 BW niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Getoetst wordt aan de gezichtspunten uit het arrest Van Hese/De Schelde (HR 28 april 2000, NJ 2000, 430). Aan de gezichtspunten c (de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten) en g (of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld) wordt bijzondere betekenis toegekend. De redelijke termijn nam hier een aanvang toen op 3 november 2011 de nefaste diagnose werd bevestigd. Omdat daarna onverwijld tot aansprakelijkstelling is overgegaan en het IAS is ingeschakeld, werd deze termijn, na te zijn aangevangen, direct geschorst, om eerst op 24 januari 2012 – toen de bemoeienis van het IAS eindigde – weer te gaan lopen. De periode van 24 januari 2012 tot (de dagvaarding van) 20 januari 2014 wordt niet als een redelijke termijn in de zin van gezichtspunt g aangemerkt. De andere gezichtspunten leggen onvoldoende gewicht in de schaal om deze alsnog in het voordeel van X te laten doorslaan. Volgt afwijzing van de vordering.