Rechtspraak
Hoge Raad, 24 oktober 2014
ECLI:NL:HR:2014:3037
X/Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria
X is op 15 augustus 1962 in de congregatie ingetreden als broeder en heeft bij zijn intrede de gelofte van gehoorzaamheid, celibaat en armoede afgelegd. Hij is daarbij lid geworden van de provincie. De congregatie en de provincie zijn kerkelijke, rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen van religieuzen binnen de rooms-katholieke Kerk. De congregatie is een internationale organisatie met onder andere nationale afdelingen in Ghana en in Nederland. Aan het hoofd van de congregatie staat de Generale Overste. De provincie is de Nederlandse afdeling van de congregatie met aan het hoofd de Provinciale Overste. Op 11 maart 1984 is een overeenkomst tussen de provincie en X tot stand gekomen, waarin onder andere is bepaald dat X voor onbepaalde tijd alleen mocht blijven wonen en voortaan uitsluitend zelf verantwoordelijk is voor huisvesting, werkkring, studie, vorming, verzekeringen, belastingen en besteding van zijn salaris. Volgens deze overeenkomst bleef X volwaardig broeder met alle rechten en plichten die daaraan verbonden zijn. Vanaf 1989 tot november 2000 was X lid van de Ghanese provincie van de congregatie. Tussen X en de Ghanese provincie is een conflict ontstaan. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een wegzendingsbesluit door de congregatie omdat X geen gehoor gaf aan de opdracht van de Overste dat X zich uit Ghana zou terugtrekken en weer naar Nederland zou keren. X stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die kennelijk onredelijk is opgezegd. De feitenrechters hebben geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar een overeenkomst sui generis. In cassatie klaagt X onder meer dat ten onrechte met de wegzending uit de congregatie tevens een einde van de overeenkomst sui generis is aangenomen.
De advocaat-generaal (Vlas) concludeert als volgt. Voor zover de klachten betogen dat het hof het onderscheid tussen het lidmaatschap van de provincie en de overeenkomst sui generis met de provincie ten onrechte niet heeft gemaakt, wordt miskend dat in het onderhavige geval sprake is van één rechtsverhouding, die – onbestreden in cassatie – is gekwalificeerd als een overeenkomst sui generis. De wegzending impliceert dan ook het einde van de overeenkomst sui generis. Terecht heeft het hof overwogen dat het de burgerlijke rechter niet vrijstaat de tuchtrechtelijke procedure jegens X die beheerst wordt door het canonieke recht en niet door het Nederlandse civiele recht, inhoudelijk te toetsen en dat slechts een marginale toetsing kan plaatsvinden. De rechter kan slechts toetsen of sprake is van strijd met de wet, van strijd met de eigen tuchtrechtelijke regels en of de interne procedure met voldoende waarborgen is omkleed. Het is vaste rechtspraak dat tuchtrechtelijke beslissingen slechts beperkt kunnen worden getoetst.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.