Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 augustus 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:6672
Allianz Nederland Schadeverzekering en Ridder Metalen Dak- en Wandsystemen/A BV
Op 11 februari 2003 is B, die als uitzendkracht werkzaam was voor Ridder, bij zijn werkzaamheden van een hoogte van ongeveer zeven meter op een betonnen vloer ten val gekomen. De werkzaamheden vonden plaats in het kader van een onderaannemingsovereenkomst tussen A als hoofdaannemer en Ridder als onderaannemer. Allianz, de verzekeraar van Ridder, vordert schadevergoeding van A. De centrale vraag is of A op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is voor de schade aan B. A stelt zich op het standpunt dat hij in het geheel geen verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van het bouwproject, maar dit geheel en al bij Ridder ligt.
Het hof oordeelt als volgt. Aan de orde is de vraag of een hoofdaannemer jegens een medewerker (dat hier sprake is van een uitzendkracht doet niet ter zake) van een onderaannemer op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk kan zijn. Dat is mogelijk indien is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW, te weten dat de medewerker voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk is van de hoofdaannemer en dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van de hoofdaannemer (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616 (Davelaar/Allspan)). Het hof is van oordeel dat de werkzaamheden die B moest verrichten hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van A. A is een landelijk opererend bouwbedrijf dat, naar zij stelt, bij grotere bouwprojecten optreedt als hoofdaannemer/uitvoerder. Op het desbetreffende project waren ongeveer veertig onderaannemers werkzaam. Hieruit volgt dat het inschakelen van onderaannemers juist deel uitmaakte van de bedrijfsvoering van A. Voorts waren er op het bouwobject eigen werknemers van A actief. De werkzaamheden die B verrichtte betroffen werkzaamheden aan het door A als bouwproject aangenomen hoofdkantoor van De Unie, te weten het bekleden van de dakpiramides met koper. Het zijn werkzaamheden aan het te bouwen gebouw, die dus niet perifeer aan de ‘core-business’ van A zijn. Kortom, er is voldaan aan het criterium dat A in de uitoefening van haar bedrijf arbeid liet verrichten door B.
De volgende vraag is of B voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van A. Ook dat is naar het oordeel van het hof het geval. Als vaststaand kan worden aangenomen dat er op het moment dat B zijn werkzaamheden verrichtte, geen doorvalbeveiliging was aangebracht achter het kozijn, terwijl het zicht was belemmerd door ondoorzichtig folie. Een dergelijke situatie, waarin in het dak, op een hoogte van ongeveer zeven meter boven een betonnen vloer, koepels zijn aangebracht met open kozijnen die zijn afgedekt met ondoorzichtig folie, maar zonder doorvalbeveiliging, is gevaarlijk. Het is A, niet Ridder, die de piramides op het dak heeft aangebracht en die het ondoorzichtige folie heeft aangebracht. Het was dan ook A die jegens degenen die het dak zouden betreden, onder wie haar eigen werknemers, werknemers van onderaannemers en derden, ervoor had te zorgen dat sprake was van een doorvalbeveiliging. De ‘uitgangssituatie’ mag niet gevaarlijk zijn. In zoverre was B voor zijn veiligheid mede afhankelijk van A. Over die ‘uitgangssituatie’ had A ook zeggenschap. Daarmee is dus tevens voldaan aan het tweede criterium voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW.
Op Ridder en A rust de verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, namelijk de schade van B. Zij zijn dus hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, zo bepaalt artikel 6:102 BW. Het hof is van oordeel dat de schade grotendeels aan Ridder is toe te rekenen. Op Ridder als werkgever rustte primair de verantwoordelijkheid om voor de veiligheid van haar werknemers zorg te dragen. Die verantwoordelijkheid was bovendien in de verhouding met A vastgelegd in de door Ridder ondertekende overeenkomst, waarin is bepaald dat de opdracht inclusief veiligheid is. De verdeling die door het hof wordt aangebracht is 80% voor Ridder en 20% voor A.