Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Bouwvereniging Huis en Erf
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 6 november 2014
ECLI:NL:RBOBR:2014:6595

werkneemster/Bouwvereniging Huis en Erf

Toekenning aanvullingsregeling op grond van CAO Woondiensten na ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning vergoeding met C=1,5 (€ 104.863,41 bruto). Baijingsleer niet van toepassing.

Werkneemster is sinds 1999 in dienst van Huis & Erf. De arbeidsovereenkomst is per 1 maart 2012 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 104.863,41 bruto (C=1,5). De toepasselijke CAO Woondiensten (hierna: de cao) kent in artikel 2.13 in geval van inkrimping of interne reorganisatie een aanvullingsregeling, inhoudende dat de WW-uitkering wordt aangevuld tot 100% van het nettomaandsalaris. Met ingang van 1 mei 2012 ontvangt werkneemster een WW-uitkering. Met ingang van 17 januari 2013 is zij elders in dienst getreden. Werkneemster stelt dat zij nog aanspraak maakt op de aanvullingsregeling. Huis & Erf stelt daarentegen dat de cao niet op werkneemster van toepassing is en dat de aanspraken van werkneemster reeds verdisconteerd zijn in de aan haar toegekende ontbindingsvergoeding. Voorts beroept Huis & Erf zich op de Baijingsleer en de redelijkheid en billijkheid.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter zitting heeft Huis & Erf niet langer bestreden dat de cao van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen partijen, zodat daarvan wordt uitgegaan. Het verweer dat de aanspraken van werkneemster reeds zijn verdisconteerd in de ontbindingsvergoeding kan niet worden aanvaard. Dat dat het geval zou zijn blijkt niet uit de beschikking van de kantonrechter van 9 februari 2012, noch uit het proces-verbaal van de zitting in die procedure, noch uit enig ander stuk dat daarop betrekking heeft. Maar ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat de kantonrechter in de ontbindingsprocedure op enigerlei wijze in haar beslissing heeft meegewogen dat werkneemster aanspraken aan de cao kan ontlenen, brengt dat in beginsel niet met zich dat werkneemster zich niet op die aanspraken kan beroepen en deze in rechte geldend kan maken. Het beroep van Huis & Erf op de Baijingsleer dient eveneens te falen. Het gaat in het onderhavige geval niet om aanspraken van werkneemster op grond van de redelijkheid en billijkheid of hetgeen een goed werkgever behoort te doen of na te laten, welke aanspraken in beginsel in de ontbindingsprocedure aan de orde dienen te komen en waarvan de afweging in beginsel volledig in de ontbindingsvergoeding tot uitdrukking dient te worden gebracht. Aanspraken die daarop zijn gegrond kunnen in beginsel niet nogmaals in een procedure aan de orde worden gesteld (behoudens het geval dat deze uitdrukkelijk in de ontbindingsbeschikking buiten de beoordeling zijn gelaten). In het onderhavige geval gaat het om aanspraken van werkneemster op grond van de cao. Daarvan kan in een aparte procedure nakoming worden gevorderd (analoog aan HR 2 april 2004, JAR 2004/112). De onderhavige aanspraken vertegenwoordigen een waarde van circa € 18.000 volgens de stellingen van werkneemster. Honorering van deze aanspraken is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De aanvulling ten bedrage van € 7.133,88 netto wordt toegewezen. Ook dient artikel 2.13.11 van de cao met betrekking tot het pensioen te worden nagekomen. Dat nastorting bij het pensioenfonds niet meer mogelijk zou zijn verhindert niet dat Huis & Erf die premiebetalingen op een andere wijze aan werkneemster ten gunste laat komen, zoals op de wijze voorgesteld door werkneemster, namelijk onderbrenging van het bedrag bij een particuliere verzekeraar of een bank ter reservering voor een aanvulling op het pensioen, dan wel, zoals werkneemster ter comparitie aangaf, in de vorm van nastorting bij het(zelfde) pensioenfonds nadat in augustus 2015 de arbeidsovereenkomst met haar nieuwe werkgever zal zijn geëindigd. Werkneemster zal hebben aan te geven op welke (fiscaal toelaatbare) wijze zij nakoming wenst.