Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 augustus 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:6678

Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit/werknemer

Geen sprake van stilzwijgende voortzetting indien voor het verstrijken van de duur van de arbeidsovereenkomst over voortzetting is gesproken en afwijkende afspraken zijn gemaakt. Bijgevolg kan werknemer geen beroep doen op 100% loondoorbetaling tijdens ziekte.

De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen werknemer en AVc is na het verstrijken van de duur voortgezet. AVc stelt zich op het standpunt dat dit niet stilzwijgend is gebeurd, omdat partijen voor afloop van de arbeidsovereenkomst overleg hebben gevoerd over de voorwaarden van voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor wat betreft de duur, de omvang en de autokostenregeling. Over loon bij ziekte is niet gesproken, zodat daaromtrent de wettelijke regeling van artikel 7:629 BW geldt, zo stelt AVc. Werknemer beroept zich op artikel 7:668 BW en vordert doorbetaling van 100% van zijn loon tijdens ziekte.

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 7:668 lid 1 BW bepaalt, samengevat, dat indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, zij geacht wordt voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom een arbeidsovereenkomst te zijn aangegaan. Volgens HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6755 komt het voor de toepassing van artikel 7:668 lid 1 BW – zoals nader uiteengezet in de conclusie van de plaatsvervangend procureur-generaal onder 9 – erop aan of de werknemer op grond van gedragingen van de werkgever heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van de tijd waarvoor deze was aangegaan stilzwijgend werd voortgezet. In het onderhavige geval heeft werknemer niet mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend werd voortgezet. De partijen hebben uitdrukkelijk gesproken over de arbeidsverhouding na 1 januari 2009, waarbij zij een aantal afspraken hebben gemaakt die beduidend afweken van hetgeen tot 1 januari 2009 tussen hen gold. Aangezien sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst per 1 januari 2009, is artikel 8a van de tot 1 januari 2009 geldende arbeidsovereenkomst niet van toepassing. De partijen zijn immers niet uitdrukkelijk overeengekomen dat deze bepaling ook vanaf 1 januari 2009 van toepassing zou zijn. Er zijn voorts geen feiten gesteld op grond waarvan werknemer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat artikel 8a, een bepaling betreffende doorbetaling bij ziekte die gold in een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar, zou blijven gelden in een situatie die wezenlijk anders was. De consequentie daarvan zou zijn dat werknemer bij voortduring van zijn arbeidsongeschiktheid en van zijn dienstverband tot in lengte van dagen recht zou hebben op 100% van het overeengekomen salaris. Een dergelijke consequentie wijkt ook af van artikel 7:629 BW en van de in cao’s of personeelsregelingen bestaande praktijk om gedurende een beperkte periode maximaal 100% van het loon door te betalen.