Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 december 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:5117
werkneemster/Spencer Stuart International BV
Werkneemster is op 1 april 2012 in dienst getreden van SSI in de functie van Executive Assistant op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Haar leidinggevende schrijft op 1 mei dat werkneemster onvoldoende ‘vingervlug’ is met het Office-pakket en verwacht van haar verbeteringen. Op 15 mei 2012 geeft haar leidinggevende aan de arbeidsovereenkomst te beëindigen wegens het wegvallen van vertrouwen in haar functioneren in een een-op-eenrelatie. Vanaf 1 augustus 2012 wordt werkneemster daarom ‘allround’ ingezet. Werkneemster weigert hieraan gehoor te geven. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkneemster weigert passende arbeid te verrichten, en achtte de opgelegde loonstop ex artikel 7:629 lid 3 BW terecht. Werkneemster voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 7:629 lid 1 en lid 3 BW van toepassing zijn. Zij stelt zich (primair) op het standpunt dat op grond van de feiten in deze zaak artikel 7:628 lid 1 BW van toepassing is; zij heeft immers de bedongen arbeid niet verricht door een oorzaak die uitsluitend voor rekening van SSI komt.
Het hof oordeelt als volgt. SSI voert aan dat in de gegeven gewijzigde omstandigheden sprake is geweest van een redelijk voorstel van haar zijde. Die gewijzigde omstandigheden hebben hierin bestaan dat sprake was van een verkeerde presentatie en inschatting van de competenties van werkneemster en op het feit dat haar leidinggevende na ruim drie maanden nauwelijks ondersteuning te hebben gekregen een goed functionerende Executive Assistant nodig had. Haar voorstel was bovendien redelijk omdat de aangeboden werkzaamheden bijna dezelfde waren als, naar het hof begrijpt, de bedongen werkzaamheden. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft SSI nog aangevoerd dat werkneemster tijdens het sollicitatietraject een onrealistisch beeld heeft geschetst van haar capaciteiten en dat de inhoud van het door haar overgelegde CV niet in overeenstemming was met de werkelijkheid. Zij heeft de gang van zaken ten tijde van de sollicitatie echter niet nader toegelicht en geconcretiseerd zodat het hof daaraan voorbijgaat. Aan gewijzigde omstandigheden blijft dan ook over het veronderstelde slechte functioneren van werkneemster. Daarbij valt op dat dit veronderstelde disfunctioneren slechts op schrift is gesteld in de e-mail van leidinggevende van 1 mei 2012. SSI heeft destijds het functioneren van werkneemster niet op andere wijze vastgelegd, althans dit is uit de processtukken niet op te maken. Daaruit kan worden geconcludeerd dat werkneemster slechts eenmaal schriftelijk van het oordeel over haar functioneren op de hoogte is gebracht. Aan dit schriftelijke oordeel is geen concreet plan tot verbetering van haar functioneren verbonden; werkneemster is slechts aangezegd dat zij binnen twee weken grote verbeteringen moet laten zien. Een verslaglegging van haar functioneren na ommekomst van deze aangezegde twee weken ontbreekt. Daardoor blijft onduidelijk of op dat moment nog een gesprek heeft plaatsgevonden en wat de inhoud daarvan zou zijn geweest. Uit de processtukken blijkt slechts dat aan werkneemster is meegedeeld dat het vertrouwen in haar functioneren ontbreekt. Het hof concludeert op grond van een en ander dat SSI werkneemster onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waar het in haar functioneren aan schortte, maar ook vooral dat aan haar niet een reële mogelijkheid is gegeven om haar functioneren te verbeteren. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verslaglegging ter zake ontbreekt of op zijn minst niet volledig is geweest. De conclusie is dat werkneemster de bedongen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van SSI behoort te komen en dat zij aldus haar recht op loon heeft behouden.