Naar boven ↑

Rechtspraak

Deltacell/werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 november 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:4794

Deltacell/werknemer

Volledige schorsing concurrentiebeding bij beëindiging van het bedrijf. Belang van werkgever (mogelijke verkoop van de onderneming) weegt niet op tegen belang werknemer (vinden van nieuw werk).

(Zie ook AR 2014-1016.) Deltacell is een klein biotechbedrijf dat onderzoek doet naar processen in de long. Werknemer is van 1 maart 2003 tot 1 oktober 2013 in dienst geweest van Deltacell. Op deze arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding van toepassing. Op 13 mei 2013 heeft Deltacell aan het UWV toestemming gevraagd om alle werknemers van Deltacell te ontslaan wegens de voorgenomen bedrijfssluiting van Deltacell. De arbeidsovereenkomst van werknemer is tegen 1 oktober 2013 opgezegd. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening primair het concurrentiebeding schorst en subsidiair aan werknemer een vergoeding per maand toekent voor de resterende duur van het concurrentiebeding, in beide gevallen met veroordeling van Deltacell in de proceskosten. Hij heeft daartoe gesteld dat zijn functie bij Deltacell door het vertrek van Z ingrijpend is gewijzigd – waardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken en opnieuw had moeten worden overeengekomen – maar dat hij, nu in kort geding geen verklaring voor recht kan worden gegeven dat het concurrentiebeding op die grond niet meer van toepassing is, schorsing daarvan vordert omdat voor hem van belang is – gelet op de periode dat hij niet zou kunnen werken, alsmede op zijn leeftijd – op korte termijn duidelijkheid te verkrijgen omtrent zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt, mede in aanmerking genomen de aanzienlijke boete die is gesteld op overtreding van het concurrentiebeding. Het belang dat Deltacell daartegenover stelt is volslagen onduidelijk, omdat zij geen klanten heeft en geen omzet en zelf(s) heeft gesteld dat zij de onderneming gaat staken. Deltacell heeft hiertegen verweer gevoerd. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort samengevat en voor zover thans relevant, als volgt overwogen. De vraag of het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken kan in het midden blijven, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat Deltacell enig redelijk belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Een concurrentiebeding strekt ter bescherming van het bedrijfsdebiet van de (voormalige) werkgever, maar nu Deltacell feitelijk niet meer actief is, kan niet worden gezegd dat sprake is van enig te beschermen bedrijfsdebiet.

Het hof oordeelt als volgt. Deltacell heeft in eerste aanleg vooral aangevoerd dat zij groot belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding omdat er nog gesprekken werden gevoerd met een concurrerend bedrijf, dat het bij een mogelijke overdracht vooral gaat om de sinds oktober 2002 vergaarde kennis en kunde en dat zij ernstig zal worden gehinderd in haar onderhandelingspositie als deze kennis en kunde grotendeels ‘binnengehaald’ zou kunnen worden door één of meer werknemers van Deltacell in dienst te nemen. Vaststaat dat onderhandelingen tussen Deltacell en Resem omtrent een mogelijke overname van de bedrijfsactiviteiten van Deltacell hebben plaatsgevonden. Eveneens staat vast dat Deltacell niet met enig ander bedrijf dan Resem heeft gesproken, nu werknemer dit heeft gesteld en Deltacell deze stelling niet heeft weersproken door andere bedrijven te noemen met wie zij in gesprek is of is geweest. Niet aannemelijk is dan ook dat Deltacell ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis nog een reëel belang bij het concurrentiebeding had. Daar komt bij dat werknemer belang heeft bij duidelijkheid over de werking van het beding. Volgt volledige schorsing.