Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 30 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:7163
Brink’s Nederland B.V. c.s./FNV Bondgenoten c.s.
Brink’s verzorgt de dagelijkse distributie (transport en vervoer) en dispositie, de (gedeeltelijke) opslag en verwerking (tellen) van chartaal geld. Een van de grootste afnemers van de diensten van Brink’s, is Rabobank. Rabobank heeft besloten om de samenwerking met Brink’s per 31 december 2014 te beëindigen. Overeengekomen is dat de dienstverlening geleidelijk, tot aan 1 juli 2015, zal worden overgedragen aan de nieuwe dienstverlener, te weten Geld Service Nederland (GSN). Brink’s en de bonden zijn in overleg getreden over een sociaal plan. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken. Op 27 december 2014 zijn collectieve acties begonnen. Deze acties richten zich op de bevoorrading van de gelduitgifteautomaten van met name Rabobank en in mindere mate ABN AMRO en SNS Bank. Brink’s vordert dat FNV en CNV worden veroordeeld om zich te onthouden van het (organiseren en/of oproepen tot het) voeren van collectieve acties bij Brink’s, en worden verboden collectieve acties van werknemers van Brink’s te organiseren, te ondersteunen of daar op enigerlei wijze bij betrokken te zijn, dit op straffe van een dwangsom.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het verzoek van Brink’s om de zaak achter gesloten deuren te behandelen wordt afgewezen. Onvoldoende aannemelijk is dat zich een van de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 27 Rv voordoen. Het toetsingskader in deze zaak wordt gevormd door de artikelen 6 aanhef en onder 4 ESH, G ESH en 6:162 BW. De voorzieningenrechter volgt de bonden niet in hun verweer dat de Hoge Raad in zijn recente arrest van 31 oktober 2014 (AR 2014-0914) is teruggekomen op vaste jurisprudentie in die zin dat het niet langer zo is dat een collectieve actie vanwege het veronachtzamen van zwaarwegende procedureregels onrechtmatig kan zijn. Er zijn in dit arrest van de Hoge Raad onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van dit verweer. Partijen zijn het erover eens dat de bij brief van 19 december 2014 aangekondigde acties die zijn aangevangen op 27 december 2014 onder het toepassingsbereik van artikel 6 aanhef en onder 4 ESH vallen. Niet ter discussie staat dat sprake is van een belangengeschil in de zin van dit artikel. Uitgangspunt is dan ook dat de collectieve acties in beginsel rechtmatig zijn en door Brink’s als bestaakte werkgever en Wincor Nixdorf (opdrachtgever van Brink’s en gevoegde partij in de procedure) als derde dienen te worden geduld, ondanks het feit dat deze acties schadelijke gevolgen voor hen kunnen hebben. Brink’s wordt niet in haar standpunt gevolgd dat zij niet als ‘bestaakte werkgever’, maar als ‘derde’ in de zin van artikel G ESH moet worden aangemerkt. Daarvan zou sprake zijn als de collectieve acties zich tegen haar keren, maar zich in feite tegen een ander richten. Er zijn geen aanknopingspunten dat van die situatie sprake is. De stelling van Brink’s en Wincor Nixdorf dat zwaarwegende procedureregels zijn veronachtzaamd, wordt niet gevolgd. Uit de kenbare stakingsjurisprudentie volgt niet dat ná vastgelopen onderhandelingen eerst bemiddeld dient te worden tussen de onderhandelende partijen alvorens door de bonden actie mag worden gevoerd. Ook faalt de stelling dat de aanzegtermijn te kort is geweest. Vaststaat dat de collectieve acties bij brief van 19 december 2014 zijn aangekondigd. De collectieve acties zijn aangevangen op 27 december 2014. De termijn moet voldoende lang worden geacht voor verwezenlijking van het doel van de aanzeggingstermijn: het voorkomen van onnodige bedrijfsschade en bescherming van de belangen van degenen die op de dienstverlening van de bestaakte werkgever zijn aangewezen.
De acties van de bonden zijn tot op heden gericht op de betaaluitgifteautomaten en kunnen zich ook gaan richten op de automaten waarin geld (door bedrijven) wordt afgestort. Aannemelijk is dat derden, zoals consumenten en bedrijven, hinder van de acties zullen ondervinden, bijvoorbeeld omdat niet meer bij de dichtstbijzijnde geldautomaten geld kan worden opgenomen. Op dit moment kan niet geconcludeerd worden dat de acties van de bonden zodanig ingrijpende gevolgen hebben en/of zullen krijgen voor de inwoners van Nederland en/of de Nederlandse economie dat sprake is van een onaanvaardbare maatschappelijke ontwrichting. Ook kan op dit moment (nog) niet geconcludeerd kan worden dat de bonden met hun acties een onaanvaardbaar veiligheidsrisico hebben geschapen. Tot dit oordeel draagt bij dat de bonden hebben toegezegd dat er geen acties zullen plaatsvinden bij de vestigingen van Brink’s en bij de meldkamer van Brink’s. Tot slot hebben Brink’s en Wincor Nixdorf onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat zij disproportionele schade lijden. De belangenafweging valt in het voordeel van de bonden uit. Volgt afwijzing van de vorderingen.