Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 22 april 2014
ECLI:NL:RBNNE:2014:2068
werknemer/werkgever
Werknemer is sinds 1 juni 2004 in dienst als teamleider ICT. Hij is boventallig verklaard. In verband met een als gevolg van de recessie noodzakelijk geworden reorganisatie is in oktober 2009 een sociaal plan overeengekomen tussen werkgever, FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond. Dit sociaal plan had een looptijd tot 1 januari 2012 en is verlengd tot 1 januari 2014. Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hij is tot op heden ondanks zijn pogingen om afscheid te kunnen nemen van werkgever, steeds op de werkvloer aanwezig om zijn taken te vervullen, terwijl werkgever niet aan werknemer wil doen toekomen dat waarop hij aanspraak maakt. Werknemer maakt aanspraak op alle financiële voorzieningen van het sociaal plan.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de wederzijdse standpunten van partijen volgt dat zij het er in feite over eens zijn dat de arbeidsovereenkomst tussen hen dient te worden ontbonden. De noodzaak tot een reorganisatie, alsook het (op korte termijn) verval van de functie van werknemer is niet weersproken, net zomin als de omstandigheid dat werknemer tot heden goed heeft gefunctioneerd en dat het ‘boventallig’ worden hem niet kan worden aangerekend. Werknemer maakt aanspraak op een ontbindingsvergoeding gebaseerd op het ‘oude’ sociaal plan, dat gold tot 1 januari 2014. De kantonrechter constateert echter dat werknemer nog steeds bij werkgever werkzaam is en dat sedert 1 januari 2014, vanwege de slechte financiële situatie van het bedrijf een nieuw afgeslankt sociaal plan van toepassing is. Aangenomen evenwel dat en voor zover – als gevolg van de aanzegging van zijn ‘boventalligheid’ in 2013 –, op zijn ontslag niettemin het ‘oude’ sociaal plan van toepassing is, wordt het volgende overwogen. Indachtig Aanbeveling 3.7 zal de kantonrechter bij de bepaling van de ontbindingsvergoeding het met de vakorganisaties overeengekomen sociaal plan tot uitgangspunt nemen. Hoewel de Aanbeveling alleen voorziet in de mogelijkheid tot afwijking daarvan wanneer sprake is van een evident onbillijke uitkomst voor de werknemer, acht de kantonrechter gelet op de voor alle overeenkomsten geldende toets ex artikel 6:248 BW die mogelijkheid tot afwijken niet slechts daartoe beperkt. Gelet op alle omstandigheden – waaronder de hiervoor geformuleerde rechterlijke bevoegdheid alsook Aanbeveling 3.7 – leidt toekenning van een ontbindingsvergoeding gebaseerd op het ‘oude’ sociaal plan, tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat zodat toewijzing tot dat bedrag wordt afgewezen. Redengevend is onder andere dat werkgever in financieel zwaar weer verkeert, deze slechte financiële positie door de vakverenigingen wordt erkend en dat toekenning van een ontbindingsvergoeding gebaseerd op het oude sociaal plan werknemer onredelijk bevoordeelt ten opzichte van zijn collega’s. De door werkgever aangeboden ontbindingsvergoeding is billijk. Deze vergoeding komt overeen met de aan de andere werknemers aangeboden vergoeding, ten bedrage van 42% van het (oude) sociaal plan, en correspondeert nagenoeg met het bedrag dat werknemer ingevolge de kantonrechtersformule zou worden toegekend. Volgt toekenning van een vergoeding van € 19.000 bruto.