Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 februari 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:294
Vereniging FNV Bondgenoten/Holding BV, Snacks BV, Grootverbruik BV, Logistiek BV
FNV vordert nakoming van de CAO voor de Gemaksvoedingsindustrie. Aan deze vordering heeft FNV, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Met een tweetal andere vakbonden is FNV partij bij de CAO voor de Gemaksvoedingsindustrie. Holding B.V. is de enig aandeelhouder en bestuurder van de Snacks, Grootverbruik en Logistiek. Snacks en Grootverbruik houden zich bezig met de vervaardiging van bereide vlees- en vismaaltijden en de groothandel in snacks. Logistiek verleent diensten voor het vervoer over land en water ten behoeve van Snacks en Grootverbruik. Holding, Snacks, Grootverbruik en Logistiek vormen een fiscale eenheid. De vier vennootschappen vormen tezamen één onderneming. Binnen die onderneming wordt tenminste 50% van de verloonde arbeid besteed aan de productie van of groothandel in gemaksvoeding. In elk geval bedraagt de omzet van de gemaksvoeding ten minste 50% van de totale omzet. Om die reden is de cao op hen van toepassing. Ook indien zij niet ten minste 50% van de verloonde arbeid besteden aan de productie van of groothandel in gemaksvoeding is de cao van toepassing, omdat op de onderneming geen andere cao van toepassing is. In dat geval is de cao van toepassing op grond van artikel 1.3 van de cao. Holding c.s. voeren hiertegen verweer. De vier vennootschappen kunnen niet als één onderneming worden beschouwd. De cao definieert het begrip ‘onderneming’ niet, maar wel het begrip ‘werkgever’. Voor de beoordeling wat moet worden verstaan onder de ‘onderneming’ dient daarom aansluiting te worden gezocht bij de definitie van het werkgeversbegrip. In dat geval dienen alle vier de gedaagden als aparte, zelfstandige ondernemingen te worden beschouwd. Zij zijn alle vier zelfstandige werkgevers. Van die vier is de cao alleen van toepassing op Snacks. De andere drie gedaagden zijn geen lid van de werkgeversorganisatie die bij de totstandkoming van de cao partij is (AKSV) en om die reden zijn zij niet gebonden aan de cao. Uitgaande van de werkzaamheden die worden verricht binnen Holding, Grootverbruik en Logistiek vallen deze ook niet onder de werking van de cao.
Het hof oordeelt als volgt. Werkgever kende tot in ieder geval 1 januari 2013 een vennootschapsstructuur, waarbij ten minste vier vennootschappen actief waren (Holding, Logistiek, Grootverbruik en Snacks). Holding was daarbij enig aandeelhouder in de andere vennootschappen, terwijl als bestuurders in die andere vennootschappen telkens dezelfde personen optraden. In Holding waren de staf en allerlei de andere vennootschappen ondersteunende diensten (waaronder transport en verkoop) ondergebracht, terwijl Snacks zich met name richtte op het produceren van gemaksvoeding zelf en Grootverbruik op het verhandelen daarvan. In die zin zijn de activiteiten in de diverse vennootschappen (Holding, Snacks en Grootverbruik) complementair te achten. Daarbij is het naar het oordeel van het hof nauwelijks meer van belang dat al deze op zich te onderscheiden activiteiten in verschillende vennootschappen zijn/waren ondergebracht, nu de samenhang van deze activiteiten evident is en dit ook haar vertaling heeft gevonden in de wijze waarop deze activiteiten op elkaar zijn afgestemd. Productie en Groothandel zijn immers nauw met elkaar verbonden (waarbij het minder van belang is dat Grootverbruik ook andere producten verkoopt dan de door Snacks geproduceerde gemaksvoeding), terwijl beide onderdelen worden bediend door Holding. In Holding zijn alle hiervoor benodigde ondersteunende diensten ondergebracht evenals de centrale leiding van de ‘groep X’. Aldus is er naar het oordeel van het hof sprake van een onderneming in de zin van de cao, die zich richt op productie én de groothandel in gemaksvoeding (art. 1.1 van de cao). Daarbij hebben de activiteiten van de Holding een afhankelijk karakter in die zin dat bij de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium (50% of meer) ook behoren te worden betrokken de arbeidsuren die in de onderneming worden gemaakt door anderen dan de werknemers die de in lid 1 onder 1 van de cao genoemde werkzaamheden verrichten, teneinde deze werknemers daartoe in staat te stellen of hun daartoe de noodzakelijke ondersteuning te bieden (vgl. ook HR 24 februari 2012, JAR 2012/94 (Vector)). Voor deze uitleg van het begrip onderneming in de zin van de cao geldt verder het volgende. De cao definieert het begrip ‘onderneming’ niet. Niet valt in te zien waarom ‘onderneming’ in de zin van de cao beperkt zou moeten blijven tot één rechtspersoon. Evengoed kan worden aangesloten bij hetgeen in het algemeen, naar spraakgebruik, onder ‘onderneming’ verstaan wordt, waaronder ook kan worden begrepen een organisatie van ondernemingen die een economische eenheid vormt. Het hof ziet daartoe mede aanleiding om de volgende reden. De ratio van (een) de werkingssfeerbepaling in de(ze) cao zou naar het oordeel van het hof geweld worden aangedaan, indien een dergelijke feitelijke samenhang van op elkaar afgestemde activiteiten binnen een groep of een concern met als gevolg de toepasselijkheid van een cao, zou kunnen worden doorbroken door de betreffende min of meer op elkaar afgestemde activiteiten onder te brengen in afzonderlijke vennootschappen, ook al vormen die vennootschappen telkens ieder voor zich een eigen juridische entiteit. Dat deze entiteiten zich vervolgens al dan niet afzonderlijk lenen voor een activa- en passivatransactie, zoals in het onderhavige geval, maakt dat niet anders.
Met het oordeel dat werkgever is aan te merken als een onderneming in de zin van artikel 1.1 van de CAO voor de Gemaksvoedingsindustrie, doet zich de vraag voor wat het juridische gevolg is van de omstandigheid dat uitsluitend Snacks lid is van de Algemene Kokswaren en Snackproducenten Vereniging, die als zodanig partij was bij het tot stand komen van de (opvolgende) cao’s. Nu een daaruit voortvloeiende directe gebondenheid van Snacks op grond van artikel 9 Wet CAO geldt, rijst immers de vraag of die directe gebondenheid in dit geval dan tevens geldt voor de gehele X groep. Wanneer dat laatste immers niet het geval is, zouden de werknemers in Holding, Grootverbruik en Logistiek slechts rechten kunnen ontlenen aan de betreffende cao’s in de periode(s) van algemeenverbindendverklaring van de respectieve cao’s. Het hof overweegt als volgt. Wanneer slechts één vennootschap binnen een onderneming, welke onderneming als zodanig en in haar geheel onder de werkingssfeer van een cao valt, lid is van een vereniging die de overeenkomst in de vorm van een cao is aangegaan en daarom ingevolge artikel 9 Wet CAO rechtstreeks is gebonden, levert een dergelijke omstandigheid in beginsel niet eveneens een soortgelijke binding op voor de overige onderdelen van die onderneming. Het betreft in dat laatste geval immers juridisch zelfstandige entiteiten, die zelf geen lid zijn van die vereniging. Wanneer anders zou worden aangenomen, zou een en ander leiden tot een vervaging van de uitdrukkelijk in artikel 9 Wet CAO neergelegde binding. De omstandigheid dat die andere entiteiten voor wat betreft de werkingssfeer van de cao samen met Snacks zijn te beschouwen als één onderneming doet daar niet aan af, ook al leidt dit mogelijk tot een ongelijke behandeling van werknemers binnen die onderneming als geheel. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden is niet gebleken. De conclusie dient dan te zijn dat slechts in de periodes van algemeenverbindendverklaring van de CAO voor de Gemaksvoedingsindustrie Holding, Grootverbruik en Logistics gehouden waren de betreffende cao toe te passen, voor zover de bepalingen daarvan algemeen verbindend zijn verklaard. En uiteraard slechts tot het moment dat bij hen nog werknemers in dienst waren zo rond 1 januari 2013. Een meer precieze datum is op dit moment niet aan te geven gezien het ontbreken van meer exacte gegevens omtrent de datum van overgang van onderneming van de verschillende vennootschappen.