Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 24 februari 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:598
Stichting Revalideren, Activeren, Participeren/werkneemster
Werkneemster is op 1 januari 2012 bij RAP in dienst getreden in de functie van senior beleidsmedewerkster. Werkneemster heeft zich op 24 mei ziek gemeld. Op 27 mei 2013 heeft RAP een ontbindingsverzoek ingediend. Op 1 juni 2013 is werkneemster wegens ernstige zwangerschapsklachten (zeer hoge bloeddruk en zwangerschapsvergiftiging) in het ziekenhuis opgenomen, waarna haar tweeling – na een gecompliceerde bevalling – voortijdig (werkneemster was 30 weken zwanger) op 10 juni 2013 is geboren. Bij deze tweeling hebben zich ook allerlei complicaties voorgedaan. De ouders zijn al die tijd in of bij het ziekenhuis gebleven (7 weken). Bij beschikking van 4 september 2013 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden ‘met ingang van de eerste dag na 6 weken na afloop van (gedeeltelijke) ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in de bevalling en de daaraan voorafgaande zwangerschap’. De kantonrechter kende werkneemster een ontslagvergoeding van € 15.000 toe. Op 24 maart 2014 bericht RAP aan werkneemster dat de arbeidsovereenkomst per 6 januari 2014 is geëindigd, omdat – aldus RAP – aan de voorwaarde van de ontbindingsbeschikking is voldaan. Volgens werkneemster is niet aan de voorwaarde voldaan en zou RAP bovendien in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 7:611 BW hebben gehandeld door pas in maart 2014 werkneemster te berichten dat de arbeidsovereenkomst per januari 2014 is geëindigd. De kantonrechter heeft werkneemster gelijk gegeven.
Het hof oordeelt als volgt. Volgens RAP is werkneemster niet ziek ten gevolge van de zwangerschap, maar is er sprake van een kind dat ziek is. De (stress)klachten van werkneemster houden met dat laatste verband. De life events zijn niet zwangerschapsgerelateerd volgens RAP. Het ontbreken van een deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 7:629a BW staat daarbij niet in de weg aan de ontvankelijkheid van werkneemster in haar vorderingen. In dit geval kan het overleggen van een deskundigenoordeel niet worden gevergd van werkneemster, omdat het een vordering in kort geding betreft en omdat het geschil geen betrekking heeft op de vraag of werkneemster arbeidsongeschikt is – daarover verschillen werkneemster en RAP niet van mening – maar of de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid zijn oorzaak vindt in de zwangerschap/bevalling. Daarop heeft de eis van artikel 7:629a BW geen betrekking. Klaarblijkelijk voorziet het UWV niet in de verstrekking van een deskundigenoordeel over zo’n geschil. De opvatting van RAP dat geen sprake is van ziekte van werkneemster als gevolg van de zwangerschap, maar dat sprake is van een kind dat ziek is als gevolg van de zwangerschap en dat werkneemster op haar beurt (uitsluitend) ziek is vanwege stress over de toestand van dat kind, verwerpt het hof voorshands onder verwijzing naar verslagen van de bedrijfsarts en verzekeringsarts waaruit het verband met de zwangerschap blijkt. Of de kantonrechter al dan niet acht heeft geslagen op de beleidsregels van het UWV bij de beoordeling van de beslissing van de verzekeringsarts van 2 december 2013 doet gelet op het voorgaande niet ter zake.