Rechtspraak
werkgever/werknemer
Werknemer is op 23 augustus 2010 voor bepaalde tijd in dienst getreden. Laatstelijk was werknemer in dienst bij werkgever voor 1,5 uur per week (groepsles fitness) en een onregelmatig aantal uren per maand voor personal training (afhankelijk van de klandizie). Daarnaast was hij bij een andere werkgever werkzaam als zweminstructeur. In de arbeidsovereenkomst is een nevenwerkzaamheden- en concurrentiebeding opgenomen. Medio februari 2012 heeft werkgever werknemer een aanbod gedaan voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ingaande 1 februari 2012. Werknemer heeft deze overeenkomst, met daarin een nevenwerkzaamheden- en concurrentiebeding, niet ondertekend. Werknemer is op staande voet ontslagen, vanwege het starten van een eigen fitnessbedrijf. Werkgever stelt dat werknemer met zijn eigen bedrijf, dat ook is ingeschreven bij de KvK, het concurrentie- en nevenwerkzaamhedenbeding overtreedt en vordert betaling van verbeurde boetes. Werknemer voert (primair) aan dat niet gesproken kan worden van een geldig concurrentiebeding, nu geen sprake is van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
De kantonrechter oordeelt voorshands dat werknemer niet meer is gebonden aan het concurrentiebeding, en ook niet aan het verbod op nevenwerkzaamheden. Tijdens de verlengde arbeidsovereenkomst – medio februari 2012 – is aan werknemer een schriftelijk aanbod gedaan voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat werknemer in verband met dit aanbod onder meer de bedingen met betrekking tot de nevenwerkzaamheden en non-concurrentie na einde dienstverband bij werkgever aan de orde heeft gesteld. Werkgever heeft ter zitting gezegd dat hij het aanvaarden van de aangeboden arbeidsovereenkomst aan werknemer heeft overgelaten. De aangeboden arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is niet door werknemer aanvaard of ondertekend. Werkgever kon daaruit redelijkerwijs concluderen dat werknemer het met deze bedingen niet eens was. Voorts is in dit geval van belang dat aan artikel 7:653 lid 1 BW de gedachte ten grondslag ligt dat in het vereiste van geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen: een concurrentiebeding kan voor een werknemer een ernstige belemmering zijn om elders op zekere wijze werkzaam te zijn. In de jurisprudentie is aanvaard dat aan het schriftelijkheidsvereiste ook is voldaan bij stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat er bij beide partijen geen twijfel hoeft te bestaan over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet. Daarvan is in dit geval geen sprake. Werkgever kon er onder deze omstandigheden niet van uitgaan dat werknemer de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden zou willen voortzetten. Het had dan op de weg gelegen van werkgever om hierover duidelijkheid te scheppen en ervoor te zorgen dat de bedingen per 23 augustus 2012 schriftelijk zouden worden vastgelegd en overeengekomen. Dat is niet gebeurd. De vorderingen van werkgever worden afgewezen.