Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 april 2015
ECLI:EU:C:2015:215
Fernández/Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS)
Fernández heeft van 15 september 1971 tot en met 25 april 2010 bijdragen betaald voor het Spaanse socialezekerheidsstelsel, dus een totaal van 5523 dagen die zij voltijds heeft gewerkt, behalve tussen 1 september 1998 en 28 februari 1999, tussen 1 maart 1999 en 23 maart 2001 en tussen 24 maart 2001 en 23 januari 2002, toen zij in deeltijd te werk was gesteld. In het tijdvak van 23 januari 2002 tot en met 30 november 2005 heeft zij daarentegen geen bijdragen betaald. Bij besluit van 29 april 2010 is haar een pensioen toegekend wegens blijvende volledige ongeschiktheid om haar gewoonlijke beroep uit te oefenen. Het maandelijkse basisbedrag van dat pensioen werd vastgesteld op € 347,03 en het toepasselijke percentage op 55%. Dit bedrag werd vastgesteld met als referentietijdvak de acht jaar voorafgaand aan de datum waarop het ontstaansfeit zich heeft voorgedaan, te weten het tijdvak van maart 2002 tot en met februari 2010, met voor het tijdvak van maart 2002 tot en met november 2005 de laagste van de bijdragegrondslagen die voor elk van die jaren golden, waarop de deeltijdcoëfficiënt op basis waarvan de laatste bijdragen voorafgaand aan maart 2002 waren betaald, is toegepast. Volgens Fernández heeft zij recht op voltijds pensioen, omdat de berekeningswijze (a) in strijd is met gelijke behandeling mannen/vrouwen en (b) in strijd is met gelijke behandeling bij deeltijdarbeid.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 van Richtlijn 79/7 in die zin moet worden uitgelegd dat het zich, gelet op de gegevens in de verwijzingsbeslissing, verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan bijdrageonderbrekingen die vallen binnen de referentieperiode voor de berekening van een op bijdragen gebaseerd arbeidsongeschiktheidspensioen en volgen op deeltijdwerk, in aanmerking worden genomen ten belope van de toepasselijke minimumbijdragegrondslagen zoals verminderd overeenkomstig de deeltijdcoëfficiënt, terwijl een dergelijke vermindering niet is voorzien indien deze onderbrekingen volgen op voltijdwerk. Met betrekking tot de vraag of een regeling als aan de orde in het hoofdgeding tot indirecte discriminatie leidt, zoals de verwijzende rechter suggereert, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat er sprake is van indirecte discriminatie wanneer de toepassing van een nationale maatregel, al is deze op neutrale wijze geformuleerd, in feite een groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt (zie met name arresten Brachner, C-123/10, ECLI:EU:C:2011:675, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Elbal Moreno, C-385/11, ECLI:EU:C:2012:746, punt 29). Vervolgens dient te worden gepreciseerd dat zelfs indien zou blijken dat een werkneemster als Cachaldora Fernández wordt benadeeld omdat zij gedurende de periode onmiddellijk voorafgaand aan haar bijdrageonderbreking in deeltijd heeft gewerkt, niet is uitgesloten, zoals het INSS, de Spaanse regering en de Europese Commissie hebben opgemerkt, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling bepaalde deeltijdarbeiders ook kan bevoordelen. In alle gevallen waarin de laatste overeenkomst voorafgaand aan de periode waarin niet is gewerkt, een voltijdovereenkomst is, maar waarin de werknemers gedurende de rest van de referentieperiode of zelfs gedurende hun hele loopbaan uitsluitend in deeltijd hebben gewerkt, worden deze werknemers immers bevoordeeld omdat zij een pensioen zullen ontvangen dat in verhouding tot de daadwerkelijk betaalde bijdragen te hoog uitvalt. Bijgevolg kan aan de hand van de statistische gegevens waarop de verwijzende rechter zijn beoordelingen heeft gebaseerd, niet worden vastgesteld dat de groep werknemers die door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling wordt benadeeld, voornamelijk uit deeltijdwerkers bestaat en in het bijzonder uit vrouwen.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 5, punt 1 onder a van de raamovereenkomst in die zin moet worden uitgelegd dat binnen de werkingssfeer daarvan valt een regeling van een lidstaat op grond waarvan bijdrageonderbrekingen die vallen binnen de referentieperiode voor de berekening van een op bijdragen gebaseerd arbeidsongeschiktheidspensioen en volgen op deeltijdwerk, in aanmerking worden genomen ten belope van de toepasselijke minimumbijdragegrondslagen zoals verminderd overeenkomstig de deeltijdcoëfficiënt, terwijl een dergelijke vermindering niet is voorzien indien deze onderbrekingen volgen op voltijdwerk. In dit verband dient in herinnering te worden gebracht, ten eerste, dat de raamovereenkomst blijkens de preambule ervan betrekking heeft op ‘arbeidsvoorwaarden van deeltijdwerkers, onder erkenning van het gegeven dat de regeling van de wettelijke stelsels van sociale zekerheid tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort’. Ten tweede is blijkens de rechtspraak van het Hof het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ in de zin van die raamovereenkomst van toepassing op de pensioenen die worden bepaald door een arbeidsverhouding tussen een werknemer en een werkgever, maar niet op de wettelijke socialezekerheidspensioenen, die niet zozeer worden bepaald door een arbeidsverhouding als wel door overwegingen van sociaal beleid (arrest Elbal Moreno, C-385/11, ECLI:EU:C:2012:746, punt 21). In casu volgt uit het geheel van de gegevens waarover het Hof beschikt, dat het pensioen dat in het hoofdgeding aan de orde is, een wettelijk socialezekerheidspensioen is. Zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan dat pensioen derhalve niet worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde in de zin van clausule 4, punt 1 van de raamovereenkomst en valt het dus niet binnen de werkingssfeer daarvan. Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de raamovereenkomst in die zin moet worden uitgelegd dat niet binnen de werkingssfeer ervan valt een regeling van een lidstaat op grond waarvan bijdrageonderbrekingen die vallen binnen de referentieperiode voor de berekening van een op bijdragen gebaseerd arbeidsongeschiktheidspensioen en volgen op deeltijdwerk, in aanmerking worden genomen ten belope van de toepasselijke minimumbijdragegrondslagen zoals verminderd overeenkomstig de deeltijdcoëfficiënt, terwijl een dergelijke vermindering niet is voorzien indien deze onderbrekingen volgen op voltijdwerk.