Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Lucas Onderwijs
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 13 januari 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:1130

werkneemster/Stichting Lucas Onderwijs

Werkneemster heeft geen recht op loon, ondanks het feit dat werkgever het volledige loon aan schuldeiser werkneemster betaalt in strijd met beslagvrije voet.

Werkneemster is sinds 1 augustus 1984 in dienst van Lucas. Werkneemster heeft een hypothecaire lening (schuld). Zij heeft bij akte van 26 december 2005 – kort gezegd – al haar vorderingen jegens Lucas tot zekerheid aan de bank verpand. De bank heeft de pandakte op 16 februari 2006 aan Lucas gezonden met het verzoek om € 1.432,55 per maand aan de bank te betalen. Lucas heeft hieraan vanaf 2006 gevolg gegeven. Het genoemde bedrag is nadien meerdere keren – in relatief geringe mate – gewijzigd. Het nettoloon bedroeg € 1.400 per maand. Thans vordert werkneemster veroordeling van Lucas tot betaling aan haar van € 142.417,56 vermeerderd met (verdere) rente en proceskosten. Aan die vordering legt zij ten grondslag dat Lucas over de periode van 1 februari 2006 tot 1 maart 2011 meer aan de bank als pandhouder heeft betaald dan ingevolge het bepaalde in artikel 7:633 BW was toegestaan, aangezien de beslagvrije voet niet is gerespecteerd.

Het hof oordeelt als volgt. Uit artikel 7:633 BW volgt dat in een geval als het onderhavige – waarin de werknemer diens loonvordering aan een derde heeft verpand en die derde zijn pandrecht aan de werkgever heeft medegedeeld – de verpanding slechts in zover geldig is als beslag op het loon geldig zou zijn. Dit houdt in dat de verpanding wat betreft het gedeelte van het loon waarop ingevolge het bepaalde in artikel 475b e.v. Rv geen geldig beslag kan worden gelegd (de beslagvrije voet), ten nadele van de werknemer geen effect sorteert. De werkgever moet dat beslagvrije deel van het loon derhalve ondanks de verpanding aan de werknemer betalen. De verpanding heeft derhalve aan het recht op loon dat werkneemster jegens Lucas had geen afbreuk gedaan, voor zover het het niet voor beslag vatbare deel van dat loon betreft. Lucas acht het kennelijk niet redelijk dat zij werkneemster alsnog het gevorderde loon zou moeten betalen, omdat het de bedoeling van werkneemster was dat ook dat beslagvrije deel van het loon aan de bank zou toekomen, waarbij werkneemster belang had, aangezien zolang haar verplichtingen jegens de bank werden voldaan de gedwongen verkoop van de woning – ondanks haar slechte financiële situatie – kon worden voorkomen. Bij de beoordeling van dit verweer is de volgende passage uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van betekenis: ‘De Stichting vraagt zich af wat er zou zijn gebeurd als de beslagvrije voet wel gehanteerd zou zijn. Ik (hof: mr. Brussee, de advocaat van Lucas) hoor de dochter van mevr. werkneemster zeggen dat haar moeder dan vanuit die beslagvrije voet het ontbrekende deel aan de bank zou hebben doorgestort.’ Uit deze verklaring van de dochter – die werkneemster ter comparitie vertegenwoordigde – van welke verklaring werkneemster in de memorie van grieven geen, althans niet voldoende gemotiveerd, afstand heeft genomen, volgt dat indien het beslagvrije deel van het loon door Lucas aan werkneemster zou zijn uitbetaald – zoals had moeten geschieden – het desbetreffende bedrag door werkneemster aan de bank zou zijn betaald. De financiële positie van werkneemster zou dan geen andere zijn geweest dan haar financiële positie die het gevolg is van hetgeen daadwerkelijk, zij het in strijd met de wet, is geschied.

Het hof komt gelet op deze omstandigheden en ook in het licht van de omstandigheid dat werkneemster pas na jaren en nadat de verkoop van de woning onafwendbaar leek een beroep deed op de regel van artikel 7:633 BW, tot het oordeel dat deze tussen partijen geldende regel niet van toepassing is omdat die toepasselijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Een ander oordeel zou tot gevolg hebben dat werkneemster in een betere positie zou worden gebracht dan de positie waarin zij zou hebben verkeerd indien Lucas van meet af aan het beslagvrije deel van het loon aan werkneemster zou hebben betaald, voor welk aanzienlijk voordeel noch in de strekking van artikel 7:633 BW noch anderszins een rechtvaardiging is te vinden.