Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV Bondgenoten/Waterhuizen B.V. c.s.
Rechtbank Noord-Nederland, 4 maart 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:1076

FNV Bondgenoten/Waterhuizen B.V. c.s.

Roemeense werknemers zijn werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst. CAO Metalelektro is van toepassing.

FNV is als werknemersvereniging partij bij de cao. Deze is algemeen verbindend verklaard in de periode 15 oktober 2011 tot en met 31 augustus 2013. Shipyard is lid van de werkgeversorganisatie FME-CWM, eveneens partij bij de cao. FNV heeft aangevoerd dat Waterhuizen en Shipyard na de overname uit een faillissement begin 2008, enkel werklieden gebruiken die niet bij hen in dienst zijn. Het gaat om ongeveer 120 Roemeense lassers, pijpfitters, plaatbewerkers, timmerlieden en schilders, die steeds langer dan een jaar werken. Gebleken is dat de Roemeense werklieden in dienst zijn van BMS Protowin Ltd (hierna: BMS), een vennootschap naar Cypriotisch recht en gevestigd te Limmasol (Cyprus). De Roemeense werklieden zijn geworven in Roemenië en tewerkgesteld bij uitsluitend Waterhuizen en Shipyard, in de meeste gevallen langer dan een jaar. Op hun arbeidsovereenkomsten met BMS is Cypriotisch recht van toepassing verklaard. FNV Bondgenoten stelt dat de in de detacheringsrichtlijn genoemde dwingendrechtelijke arbeidsvoorwaarden uit de Nederlandse wet en cao moeten worden toegepast. Waterhuizen en Shipyard stellen dat sprake is van een aannemingsovereenkomst tussen Waterhuizen en Shipyard en BMS. Daardoor zou artikel 9 cao met het loonverhoudingsvoorschrift en de vergewisplicht niet van toepassing zijn. FNV stelt dat sprake is van een uitzendconstructie. Voorts stelt FNV dat Waterhuizen en Shipyard onrechtmatig handelen jegens FNV door (mee te werken aan) de ontduiking van de cao. Zij hebben zich er niet van vergewist dat BMS de Roemeense werklieden in overeenstemming met de regels betaalt.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 9.2 lid 6 cao moeten Waterhuizen en Shipyard stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van aanneming van werk in de relatie tussen hen en BMS. De door Waterhuizen en Shipyard beweerde ‘totstandbrenging van een werk van stoffelijke aard’ zou ook aan de orde zijn wanneer niet in geschil zou zijn dat de Roemeense werklieden door BMS als uitzendorganisatie ter beschikking zijn gesteld aan Waterhuizen en Shipyard als inlener. Het aspect ‘totstandbrenging van een werk van stoffelijke aard’ is in de onderhavige zaak daarom niet geschikt om te kunnen concluderen tot een aannemingsovereenkomst. Ook de overgelegde stukken tonen niet aan dat sprake is van een aannemingsovereenkomst. Dit oordeel vindt steun in de overeenkomsten van 18 november 2010 en 11 november 2011, door Waterhuizen en Shipyard raamovereenkomsten van aanneming genoemd. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomsten als van opdracht, zoals die ook wel gesloten worden tussen uitzendorganisaties als opdrachtnemer en werkgevers als opdrachtgever. De verwijzing in de overeenkomsten naar artikel 7:408 BW onderstreept dat. Dit oordeel vindt verder steun in de website van BMS. Op grond van de daarin gebruikte terminologie wordt geoordeeld dat BMS een uitzendorganisatie is. De Roemeense werklieden zijn uitzendkrachten als bedoeld in artikel 7:690 BW. Artikel 9.2 cao is derhalve onverkort van toepassing. FNV heeft gespecificeerd uit de doeken gedaan en met bewijsstukken onderbouwd dat op de in het artikel bedoelde onderdelen (arbeidsvoorwaarden) de Roemeense werklieden te weinig betaald krijgen. Het daartegen gevoerde verweer van Waterhuizen en Shipyard oordeelt de kantonrechter onvoldoende en zal hij passeren. Aan hun vergewisplicht hebben Waterhuizen en Shipyard niet voldaan. Wanneer het is gegaan zoals zij hebben beweerd dat het is gegaan – wel informatie vragen maar deze niet krijgen – had dat voor hen reden moeten zijn de werkwijze te staken. Zij hadden op dat moment immers geen enkele informatie, laat staan de zekerheid, dat de beloning van de Roemeense werklieden in orde was. De slotsom is dat de vordering van FNV om Waterhuizen en Shipyard te verbieden om nog langer gebruik te maken van de inzet van werknemers die niet betaald worden overeenkomstig de bepalingen van de algemeen verbindend verklaarde CAO Metalektro 2011-2013 en haar opvolger(s) met betrekking tot de persoonlijke minimummaandverdiensten, de overwerktoeslagen, de ploegentoeslagen en de kostenvergoedingen, op straffe van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat Waterhuizen en Shipyard in gebreke zijn aan die veroordeling te voldoen, zal worden toegewezen. De totaal te verbeuren dwangsom maximeert de kantonrechter op € 1.000.000. De vordering van FNV om Waterhuizen en Shipyard te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 80.000 zal, bij gebreke van een specificatie van deze vordering, slechts voor de helft worden toegewezen. De kantonrechter past daarbij artikel 6:97 BW toe.