Rechtspraak
werknemer/X
Werknemer is van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 2008 werkzaam geweest bij Education International (hierna: EI) en haar rechtsvoorgangers. In verband met zijn werkzaamheden had werknemer een laptop van EI ter beschikking. In de periode van 22 tot en met 26 juli 2007 heeft in Berlijn een EI-congres plaatsgevonden. Op of omstreeks 21 juli 2007 is er vanaf een anoniem e-mailadres een e-mailbericht verstuurd aan deelnemers van dit congres. In het anonieme e-mailbericht werd de algemeen secretaris van EI onder meer beschuldigd van malversaties. Door X (bedrijfsrecherche) is een onderzoek naar de herkomst (bron, auteur en afzender) van het anonieme e-mailbericht ingesteld. Diverse medewerkers, waaronder werknemer, hebben hun laptop ingeleverd. De arbeidsovereenkomst tussen EI en werknemer is met ingang van 31 december 2008 met wederzijds goedvinden beëindigd. Werknemer vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat X onrechtmatig jegens werknemer heeft gehandeld door kennis te nemen van en diens (voormalig) werkgever in staat te stellen kennis te nemen van de inhoud van diens dagboeknotities en/of andere persoonlijke documenten en aansprakelijk is voor de door werknemer daardoor geleden schade.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van het onderzoeksverslag dient als vaststaand te worden aangenomen dat X aan EI heeft meegedeeld dat het betreffende lP-adres niet op de laptop van werknemer is aangetroffen en dat niet is vastgesteld en ook niet kon worden vastgesteld dat werknemer de auteur of verzender van het anonieme e-mailbericht is geweest; dat X aan EI heeft meegedeeld dat diverse trefwoorden uit het anonieme e-mailbericht wel voorkomen in het jaarboek en dat uit het jaarboek blijkt dat werknemer zich zorgen maakte over de financiële situatie van EI en dat het jaarboek integraal bij het aan EI verstrekte onderzoeksverslag is gevoegd. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat X in het onderhavige geval als verantwoordelijke in de zin van artikel 1 onderdeel d van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) moet worden beschouwd en dat X gebonden is aan de regels zoals die zijn vastgelegd in de Privacycode Sector particuliere onderzoeksbureaus van de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties (hierna: de privacycode). Dit betekent dat de
verwerking van de persoonsgegevens van werknemer door X slechts gerechtvaardigd is indien een van de in artikel 8 Wpb genoemde verwerkingsgrondslagen van toepassing is.
Anders dan X is de rechtbank van oordeel dat X niet gerechtvaardigd heeft kunnen concluderen dat werknemer toestemming heeft gegeven voor het door X verrichtte onderzoek. Gelet op artikel 1 onderdeel i Wbp, artikel 8 onderdeel a Wbp en paragraaf 5.3 van de privacycode en in aanmerking genomen dat werknemer in dienst was van EI en er sprake was van een situatie waarin EI wenste te achterhalen of
een van haar medewerkers betrokken was bij het anonieme e-mailbericht, kan het inleveren van de laptop – of het nu bevolen of verzocht is en of nu wel of niet de toezegging is gedaan dat er geen privébestanden zouden worden geopend – niet worden aangemerkt als toestemming in de zin van de Wbp voor het onderzoek zoals dat door X is verricht en evenmin als toestemming voor het verstrekken van de (inhoud van de) (gekopieerde) bestanden en het onderzoeksresultaat aan EI. X kan ook niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij er van uit mocht gaan dat werknemer de vereiste toestemming had verleend op grond van de enkele mededeling van EI dat hij vrijwillig zijn
laptop had afgestaan. X had zich van de vereiste toestemming van werknemer moeten vergewissen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens werknemer. X heeft betwist dat de door haar verkregen informatie een privékarakter heeft en ‘zich dientengevolge in de privacysfeer van werknemer bevindt’. Dit verweer kan niet slagen. X miskent met deze stelling dat de Wbp ziet op het verwerken van ‘persoonsgegevens’, welk begrip in artikel 1 onderdeel a Wbp ruim wordt gedefinieerd als: gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Dat dergelijke gegevens over werknemer door X zijn verwerkt, is niet betwist. Wat precies de inhoud van het jaarboek is, kan dan ook voor de beoordeling van dit geschil buiten beschouwing blijven. Het verweer dat de tegen werknemer getroffen disciplinaire maatregelen volledig losstaan van hetgeen werknemer in zijn jaarboek heeft opgetekend en daarmee, zo begrijpt de rechtbank dit verweer, niet in verband staan met de onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens, wordt verworpen. In de brief van 31 oktober 2007 wordt door EI immers in de eerste zin al het verband gelegd met het onderzoek door X en het gesprek naar aanleiding van dat onderzoek. Werknemer heeft de mogelijkheid dat hij schade heeft geleden voldoende aannemelijk gemaakt. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt toegewezen.