Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers en FNV Bondgenoten/BBA Tours BV
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 26 mei 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1881

werknemers en FNV Bondgenoten/BBA Tours BV

Uitleg CAO Besloten Busvervoer: valt shuttlevervoer onder pendelvervoer (categorie B) of groepsvervoer (categorie C)? Compensatierustdagen prevaleren niet boven andere verlofdagen.

Nadat er een verschil van mening was ontstaan over de uitleg van enige bepalingen uit de CAO Besloten Busvervoer, hebben FNV Bondgenoten enerzijds en BBA anderzijds op 16 januari 2008 ten overstaan van de kantonrechter in de Rechtbank Breda, zittingsplaats Tilburg, een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beslechting van hun geschil. Dat geschil had, kort gezegd, betrekking op de vraag of het zogenaamde shuttlevervoer tussen airport enerzijds en plaats 1 anderzijds moest worden aangemerkt als toerwagenritten/ongeregeld vervoer/pendelvervoer in de zin van artikel 21 onder B van de cao 2006 dan wel als groepsvervoer en openbaar vervoer in de zin van artikel 21 onder C van de cao 2006. In de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat chauffeurs die ritten uitvoeren in het kader van dit shuttlevervoer, worden betaald overeenkomstig het bepaalde in laatstgenoemd artikel onder C. Nadien is opnieuw een geschil gerezen of ander ‘shuttlevervoer’ ook onder C van de opvolgende cao’s moest vallen. De werknemers menen van wel, terwijl BBA zich op het standpunt stelt dat de vaststellingsovereenkomst hier geen uitsluitsel over heeft gegeven.

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat het begrip shuttlevervoer niet is gedefinieerd in de betreffende cao, terwijl dat evenmin uit de toelichting bij de cao valt af te leiden. Volgens Van Dale wordt aan dat woord de Nederlandse betekenis van pendeldienst toegekend. In de cao 2004 (artikel 2 onder n) en de cao 2006 (artikel 2 onder o) wordt het begrip pendelvervoer omschreven als ‘vervoer van vooraf in groepen samengebrachte reizigers van dezelfde plaats van vertrek naar dezelfde plaats van bestemming door verscheidene heen- en terugreizen. Overal waar pendelvoer wordt genoemd wordt dit geacht internationaal lijndienstvervoer te omvatten’. Ingevolge artikel 21 onder A van diezelfde cao bedraagt de arbeidstijd van de rijdende werknemers bij toerwagenritten/ongeregeld vervoer én pendelvervoer 5/6 van de diensttijd, terwijl dat ingevolge artikel 21 onder B van de cao bij de rijdende werknemers in geval van groepsvervoer en openbaar vervoer 6/6 van de diensttijd bedraagt. Aldus lijkt het erop dat bij min of meer ongeregeld vervoer, daaronder mede begrepen internationale lijndiensten, de werkelijke arbeidstijd kan afwijken van de diensttijd, terwijl bij min of meer geregeld vervoer de arbeidstijd overeenkomt met de diensttijd. Een vluchtige blik op internet (site van Airexpressbus) leert slechts dat er kennelijk vaste tijden van aankomst en vertrek worden gehanteerd en dat geldt eveneens voor de diverse tussenstops onderweg. In die zin lijkt er geen onderscheid te bestaan tussen de verbinding airport en Schiphol enerzijds en vliegveld en plaats 1 anderzijds anders dan dat vliegveld evident niet in Nederland ligt. In de stukken valt echter ook te lezen dat er kennelijk gewacht wordt op vertraagde vluchten, maar dat verdraagt zich weer niet met een vast schema van vertrek en aankomst. Volgt aanhouding van de zaak voor nadere bewijsvoering.

Compensatiedagen. Naar het oordeel van het hof ziet het inverdienen van compensatierustdagen uitsluitend op de betreffende betalingsperiode, maar is het vervolgens aan de werkgever om te bepalen wanneer deze compensatierustdagen zullen worden genoten. Dat leidt er echter niet toe dat deze compensatierustdagen daarbij door de werkgever in mindering kunnen of mogen worden gebracht op andere niet-werkdagen in een volgende betalingsperiode en dus als eerste zouden moeten worden opgenomen/genoten door de werknemer vooraleer wordt toegekomen aan het genieten van die andere niet-werkdagen. In het andere geval zou immers de vrije (niet-werk)dag telkens in wezen een ander karakter krijgen dan waarvoor bedoeld. Het hof laat dan nog maar buiten beschouwing dat bijvoorbeeld bij het opnemen van vakantie het primaat bij de werknemer ligt, terwijl dat in geval van een compensatierustdag nu eenmaal niet het geval is. Het staat kortom BBA niet vrij om compensatierustdagen aan te wijzen op andere niet-werkdagen, ongeacht wat de aard van die dag overigens ook zij.

Op de individuele arbeidsovereenkomsten van werknemers (die niet zijn overgelegd) is kennelijk een bedrijfsreglement van toepassing (verklaard). Volgens artikel 45 van de betreffende cao 2006 kunnen de verplichtingen van de werknemer conform de wet op de ondernemingsraden in een bedrijfsreglement worden geregeld. Appellanten stellen zich op het standpunt dat dit reglement geen gelding toekomt omdat het betreffende reglement niet tot stand gekomen is door bemoeienis van de ondernemingsraad nu deze bij BBA niet bestaat. Het hof kan in het midden laten of het betreffende bedrijfsreglement gelding tussen partijen heeft gelet op het volgende. De te beantwoorden vraag is immers of de appellanten hun recht om nabetaling van loon te vorderen hebben verspeeld door niet telkens tijdig te protesteren tegen de maandelijks ter beschikking gestelde salarisstrook. Naar het oordeel van het hof doet zich die situatie niet voor. Zelfs als wordt aangeknoopt bij de strekking van het bedrijfsreglement waarop BBA zich beroept, ziet dit in de eerste plaats op de vraag of de door de chauffeur gemaakte uren juist zijn vermeld en of die hoeveelheid uren ook als zodanig is verloond. Het ligt voor de hand dat in situaties waarin een verschil van inzicht bestaat omtrent de gemaakte uren (arbeidstijd) tijdig door een chauffeur aan de bel wordt getrokken, maar dat ligt wezenlijk anders indien er geschillen bestaan over de vraag op welke wijze deze gemaakte uren dienen te worden verloond. Partijen verschillen kennelijk niet van mening over de vraag welke uren feitelijk al dan niet zijn gewerkt, maar slechts over de wijze waarop de cao-bepalingen hierop moeten worden toegepast. Tussen partijen, althans FNV Bondgenoten en BBA, bestaat al sedert jaren (in ieder geval vanaf 2007) de nodige discussie over de uitleg van een aantal van de cao-bepalingen. In dergelijke gevallen kan het uitblijven van (tijdige) reclame niet in de weg staan aan de normale toepassing van de verjaringstermijn voor hieruit voortvloeiende vorderingen. Het verweer van BBA dat werknemers niet tijdig hebben geklaagd, dient daarom te worden verworpen.

Voor het overige wordt de zaak aangehouden voor nadere bewijsvoering op nevenvorderingen.