Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 26 mei 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1910
Nestinox BV/werknemer
Werknemer (geboren 1963) is met ingang van 2 januari 2012 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar in dienst getreden van Nestinox in de functie van verkoopmedewerker binnendienst tegen een brutomaandsalaris van € 2.863,30 exclusief emolumenten. Deze arbeidsovereenkomst is voortgezet van 2 januari 2013 tot 1 januari 2014 en van 2 januari 2014 tot 1 januari 2015. Op deze arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding van toepassing. Werknemer heeft Nestinox verzocht hem te ontslaan van het concurrentiebeding. Dit heeft Nestinox geweigerd. De kantonrechter heeft het beding geschorst, omdat Nestinox onvoldoende belang bij handhaving van het beding zou hebben.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is voorshands van oordeel dat de belangen van Nestinox met name gelegen zijn in de bescherming van haar concurrentiepositie in de branche waarin zij werkzaam is. Nestinox heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat werknemer niet door de kennis van haar werkwijze, haar klanten en overige bedrijfsgeheimen zichzelf een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen. Volgens vaste rechtspraak ligt daarbij niet zozeer de nadruk op de door de werknemer tijdens het dienstverband door eigen toedoen verworven kennis en vaardigheden, maar veeleer op de inbreng van de werkgever om de werknemer in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden zo goed mogelijk te laten verrichten. Het rechtens te respecteren belang van een werkgever is daarom niet het tegengaan van concurrentie in het algemeen, maar het voorkomen dat een ex-werknemer met gebruikmaking van de kennis van de onderneming van de ex-werkgever, die hij zonder de werkzaamheden voor die onderneming niet zou hebben, zijn vorige werkgever rechtstreeks concurrentie zou kunnen aandoen en daarmee zichzelf of een derde (nieuwe werkgever) een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen zou kunnen bezorgen. Werknemer heeft weliswaar betwist dat hij over essentiële bedrijfsinformatie beschikt, maar het hof acht voorshands voldoende aannemelijk dat dit wel het geval is. Het hof komt tot dat voorshandse oordeel, omdat werknemer onvoldoende heeft betwist hetgeen zijn functie bij Nestinox inhield. Nestinox heeft in haar toelichting op de grief gesteld waaruit de werkzaamheden van werknemer voornamelijk bestonden. Die omschrijving lijkt in overeenstemming met de functieomschrijving behorende bij de arbeidsovereenkomst. Uit die stellingen en uit die bijlage leidt het hof voorshands af dat werknemer zich bezighield met relatiebeheer, offertes, orders, acquisitie en dat hij samenwerkte met verkopers. Het hof acht voorshands voldoende aannemelijk dat dergelijke taken niet uitvoerbaar zijn zonder essentiële kennis van bijvoorbeeld marges en klanten. Anders dan werknemer heeft gesteld, is het hof dus voorshands van oordeel dat Nestinox een belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Het enkele feit dat het werknemer niet lukt ander werk te vinden, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat dit zijn oorzaak vindt in het concurrentiebeding. Het hof kan uit de stellingen van werknemer voorshands niet afleiden dat hij slechts een reële kans heeft om een andere baan te vinden bij een groothandel in roestvrijstalen bevestigingsmaterialen. Anders dan werknemer heeft betoogd, ziet het hof voorshands geen aanleiding om vooruit te lopen op het als gevolg van de Wet werk en zekerheid per 1 januari 2015 nieuwe artikel 7:653 lid 1 en lid 2 BW. Dat zou in strijd zijn met de rechtszekerheid. Er is evenmin aanleiding tot het toekennen van een billijke vergoeding (art. 7:653 lid 4 oud BW).