Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Het Parool BV
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 mei 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2047

werknemer/Het Parool BV

Dreiging werkgever met aangifte bij criminele inlichtingendienst in vaststellingsovereenkomst met werknemer leidt niet tot aantasting in de persoon wegens ontbreken van schade.

Werknemer is op 18 december 1978 in dienst getreden van Het Parool en was daar laatstelijk werkzaam als accountmanager op de advertentieafdeling. Op 20 juni 2011 is werknemer wegens arbeidsongeschiktheid uitgevallen. Gedurende de ziekteperiode van werknemer heeft De Persgroep Nederland B.V. (hierna: De Persgroep), waar Het Parool deel van uitmaakt, een anonieme brief, gedateerd 2 december 2011, ontvangen, waarin werknemer wordt beschuldigd van onder meer bedreiging, het uitbuiten van zwakke en/of zieke mensen, drugssmokkel, mensensmokkel en het uitbaten van prostituees. Naar aanleiding van de inhoud van deze anonieme brief heeft De Persgroep Hoffmann Bedrijfsrecherche ingeschakeld om werknemer te observeren. Uit de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche bleek dat werknemer over een bordeelvergunning voor een pand aan de Amsterdamse Wallen beschikt. De Persgroep heeft vervolgens een beëindigingovereenkomst in de vorm van een vaststellingsovereenkomst aangeboden met onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst wordt opgemerkt dat indien werknemer deze niet tekent, De Persgroep zich genoodzaakt ziet naar de kantonrechter te gaan en alle informatie waarover zij beschikt aan de criminele inlichtingendienst (CID) te overhandigen. Uiteindelijk is de arbeidsovereenkomst middels ontbinding (€ 36.939) geëindigd. Werknemer vordert thans immateriële schadevergoeding omdat hij zich bedreigd voelde door de overweging van het CID in de vaststellingsovereenkomst.

Het hof oordeelt als volgt. Voor ligt de vraag of er door voornoemd handelen van Het Parool bij werknemer sprake is (geweest) van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW. Uitgangspunt voor een zodanige aantasting is dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, tenzij de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer een uitzondering rechtvaardigen. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Werknemer heeft ten aanzien hiervan niet of nauwelijks iets gesteld anders dan dat hij zich gechanteerd en psychisch bedreigd voelde, omdat hij in onzekerheid verkeerde, nu hij de gegevens niet kende waarover Het Parool stelde te beschikken en die mogelijk zouden kunnen leiden tot vervolging en gevangenisstraf. Dat is echter onvoldoende om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 BW. Van een uitzondering in de hiervoor genoemde zin op grond van de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor werknemer is niets gesteld of gebleken.