Rechtspraak
Y/X
Y is een deurwaarders- en incassokantoor. Hij heeft met X2 waarvan X1 bestuurder is een agentuurovereenkomst gesloten waarbij X2 zal bemiddelen in het tot stand komen van opdrachten ten behoeve van incasso-, proces- en executiediensten, alsmede aanverwante diensten op basis van provisie. In dit geding vordert Y dat X1 en X2 hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van € 18.603,54, te vermeerderen met rente en kosten. Y legt aan haar vordering ten grondslag dat X1 het aan voorschot betaalde bedrag dient terug te betalen nu zij niet erin is geslaagd klanten en/of incasso-opdrachten binnen te halen, waardoor zij geen omzet heeft gerealiseerd en zij dus geen recht op provisie heeft. In reconventie stellen X c.s. zich op het standpunt dat de overeenkomst onregelmatig is opgezegd.
Het hof oordeelt als volgt. Y heeft in hoger beroep niet bestreden dat het voorschot ertoe diende X c.s. van voldoende inkomsten te voorzien gedurende de periode dat X1 bezig was (te trachten) een marktaandeel te veroveren. Partijen hebben echter niet geregeld hoe lang X1 de tijd zou krijgen om enige omzet te genereren en daarmee provisie te verdienen. Een behoorlijke regeling hieromtrent zou, anders dan Y betoogt, niet indruisen tegen de aan de handelsagent toekomende zelfstandigheid, maar integendeel getuigen van verantwoord opdrachtgeverschap. Evenmin hebben partijen een regeling getroffen voor de situatie dat, zoals thans het geval is, provisie-inkomsten van meer dan verwaarloosbare omvang zouden uitblijven. Het hof leidt uit het voorgaande af dat partijen, in hun optimisme en hun enthousiasme tot samenwerking, de situatie dat omzet zou uitblijven niet onder ogen hebben gezien en daarvoor dus geen regeling hebben getroffen. De overeenkomst van partijen bevat in zoverre dus een leemte, die door het hof aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, moet worden ingevuld. In het kader van deze afweging acht het hof het volgende van belang. X c.s. hebben ter onderbouwing van hun vordering, subsidiair, een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 2 lid 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag (WML). Die bepaling luidt als volgt: ‘Onder dienstbetrekking wordt mede verstaan de arbeidsverhouding van degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld bemiddeling verleent bij het tot stand komen van overeenkomsten van die ander – of een opdrachtgever van deze – met derden, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan.’ Nu een dienstbetrekking alleen kan worden aangegaan door een natuurlijke persoon en X1 geen overeenkomst met Y heeft gesloten krachtens welke hij zijn werkzaamheden verrichtte, voldoet de onderhavige situatie niet aan genoemde bepaling. In reactie op het verweer van Y van die strekking hebben X c.s. ook niets aangevoerd wat ertoe zou moeten leiden dat ‘door’ de vennootschap ‘heen’ zou moeten worden gekeken. Een wettelijk recht op minimumloon bestaat derhalve in dit geval niet. Niettemin is het duidelijk, en heeft het ook voor Y duidelijk moeten zijn, dat de situatie van X c.s. zich slechts in geringe mate onderscheidde van die van een natuurlijke persoon die handelsagent is voor één opdrachtgever. Het ligt dan ook in de rede om bij de invulling van de bedoelde leemte aan te knopen bij het bepaalde in artikel 2 lid 2 WML. Hieraan doet niet af dat, naar Y stelt, aan X1 uit zijn eerdere werkzaamheden bekend was dat Y ten behoeve van de acquisitie uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst wilde sluiten; het sluiten van een arbeidsovereenkomst heeft voor de werkgever immers nog wel meer consequenties en dat de bezwaren van Y met name op het betalen van een minimumloon zagen, is gesteld noch gebleken.