Rechtspraak
Aegon Nederland NV/werknemers
Ex-werknemers zijn op 1 oktober 2005, respectievelijk 1 november 2005, met vervroegd pensioen gegaan. Tot hun uitdiensttreding ontvingen werknemers van Aegon een bijdrage van circa 55% van de totaal verschuldigde premie op basis van verpleegklasse 2b, tenzij er volgens cao-afspraken een hoger percentage gold. In de relevante pensioenbrieven staat opgenomen dat in later schrijven de precieze invulling van de (pre)pensioenen zal volgen. De werknemers hebben deze brief getekend. In het latere schrijven is een wijzigingsbeding opgenomen dat bepaalt dat wijzigingen kunnen worden aangebracht indien sprake is van zwaarwichtige belangen. Daarvan is sprake indien een wijziging van de regeling voor ‘actieven’ plaatsvindt. In verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 heeft Aegon de bijdrageregeling voor actieve medewerkers gewijzigd. In haar brief van 22 december 2005 heeft Aegon aangekondigd dat in verband met de wijziging van de Zvw voor degenen voor wie het pensioen/de vut is ingegaan voor 31 december 2005, de vanaf 1 januari 2006 te vergoeden bijdrage zal bestaan uit de structurele bijdrage. Op grond van de Statuten van Aegon Gepensioneerden wordt iedere gewezen werknemer van Aegon vanaf de dag volgend op de dag waarop het dienstverband wegens pensionering eindigt, lid van de Vereniging van Aegon Gepensioneerden (VAG). Tussen VAG en Aegon is een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij aan werknemers zonder wijzigingsbeding een vaste bijdrage is verzekerd. In de onderhavige procedure vorderen de ex-werknemers dat zij in aanmerking komen voor een bijdrageregeling zoals vastgelegd in de door Aegon met de VAG gesloten vaststellingsovereenkomst. Het hof heeft overwogen dat uit het enkele stilzwijgen van de ex-werknemers ten aanzien van de tweede brief waarin een wijzigingsbeding stond opgenomen, niet wil zeggen dat zij dit wijzigingsbeding stilzwijgend hebben aanvaard. Volgens het hof dient ter zake de Stoof/Mammoet II-toetsing te worden aangelegd. Hoewel er aanleiding was tot het doen van een voorstel, is het onderscheid tussen de verschillende groepen postactieven onbillijk. In cassatieberoep klaagt Aegon dat de beoordeling of sprake is van een redelijk voorstel ex tunc is (2005), zodat de nadien getroffen regeling met de VAG geen rol mag spelen (2008).
De Hoge Raad oordeelt als volgt. In het oordeel van het hof ligt besloten dat in de omstandigheden van het geval in de periode voordat de vaststellingsovereenkomst op 15 april 2008 tot stand kwam, niet van ex-werknemers kon worden verlangd dat zij aan Aegon lieten weten of zij het voorstel van 22 december 2005 wensten te aanvaarden. Daarbij is van belang dat voor het hof vaststond (1) dat Aegon na toezending van de brief van 22 december 2005 een nader voorstel ter regeling van de financiële gevolgen van de pensionering aan hen heeft gedaan bij brief van 7 juni 2006, onder vermelding hoe zij zou handelen indien zij van ex-werknemers hierop geen reactie zou ontvangen, en (2) dat de VAG, waarvan ook ex-werknemers lid waren, een procedure tegen Aegon was begonnen over de door Aegon aan gepensioneerden te betalen bijdrage in de ziektekostenpremie. Het uitgangspunt van de klacht dat de redelijke termijn voor aanvaarding van het op 22 december 2005 gedane voorstel was verstreken voordat de vaststellingsovereenkomst op 15 april 2008 tot stand kwam, mist dus feitelijke grondslag.