Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 25 juni 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:4171
Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) c.s./Vérian Care & Clean B.V.
Vérian is een onderneming die zich onder meer in de Provincie Gelderland bezighoudt met het aanbieden van thuiszorg. Op de arbeidsovereenkomsten tussen Vérian en haar medewerkers is de CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuishulp 2014-2016 van toepassing. Deze cao is per 3 maart 2015 algemeen verbindend verklaard. Partijen bij de cao zijn onder andere FNV (werknemerszijde) en Actiz (werkgeverszijde). In de cao zijn bepalingen opgenomen over het minimumsalaris en de functiewaardering. Op 24 november 2014 is aan alle medewerkers werkzaam als Thuishulp A en Verzorgingshulp B onder meer het volgende bericht: ‘Op dit moment bent u werkzaam in de functie van Thuishulp A. In de praktijk verricht u hoofdzakelijk werkzaamheden behorende bij de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging. Gezien de financiële situatie hebben wij per 29 december 2014, start eerste periode 2015, alleen nog werk voor medewerkers met de functie Basishulp Huishoudelijke Verzorging met bijpassend salaris. Dit betekent dat wij genoodzaakt zijn u deze functie aan te bieden, met ingang van bovengenoemde datum. Het bijbehorende salaris is € 10,18 per uur.’ Voor de betreffende medewerkers betekent dit dat zij er financieel op achteruitgaan. FNV vordert Vérian te verbieden de functies van haar medewerkers eenzijdig te wijzigen, alsmede een op straffe van verbeurte van dwangsommen op te leggen verbod aan Vérian om de lonen van haar medewerkers eenzijdig te verlagen. De 59 werknemers vorderen, samengevat, elk voor zich de betalingsveroordeling van Vérian van hetgeen zij wegens de herindeling van hun functie aan loon vanaf periode 3 van 2015 te weinig hebben ontvangen vergeleken met hun eerdere functieloon.
De kantonrechter neemt het gestelde spoedeisend belang aan nu de werknemers vanaf betalingsperiode 3-2015 worden geconfronteerd met aanzienlijke reducties op hun salaris die zeer binnenkort volgens Vérian oplopen tot gemiddeld 18% en volgens de werknemers en de FNV in alle gevallen meer dan 20% bedragen met uitschieters tot 30% vergeleken met het voorheen door Vérian betaalde salaris. De kantonrechter stelt vast dat Vérian in verband met haar aanzegging in de brief van 24 november 2014 ‘alleen nog werk (te hebben) voor medewerkers met de functie Basishulp Huishoudelijke Verzorging met bijpassend salaris’, niet de gelijktijdige beslissing heeft genomen om ófwel de niet bij die functie passende werkzaamheden geheel af te stoten en niet langer deel te laten zijn van haar ondernemersactiviteiten ófwel haar werkorganisatie zo in te richten dat voortaan een strikte scheiding wordt aangebracht tussen het op de functiebeschrijving voor de Basishulp Huishoudelijke Verzorging afgestemde hoofdzakelijk huishoudelijke werk en de in de functiebeschrijvingen voor Thuishulp A en Verzorgingshulp B omschreven ‘overige werkzaamheden’ die als extra te beschouwen zijn vergeleken met de beperkte werkzaamheden van de Basishulp Huishoudelijke Verzorging in dezelfde categorie. In deze gang van zaken ligt niet een inhoudelijke grond besloten om (alle) uitvoerende medewerkers plotsklaps in een andere functie in te kunnen delen met een lager salaris. Nu Vérian zonder feitelijk redengevende aanleiding en bovenal in strijd met de daarvoor in de cao vervatte normen en procedures het salaris van haar medewerkers in de uitvoerende functies heeft verlaagd tot het niveau van FWG 10, komt FNV daartegen op grond van artikel 12 lid 2 Wet CAO en artikel 3 lid 2 Wet AVV terecht op.
Geoordeeld wordt dat het beroep van Vérian op artikel 6:248 lid 2 BW faalt. Vastgesteld wordt dat een collectieve oplossing niet binnen het bereik van partijen bij de cao is gekomen. Tegen deze achtergrond rustte op Vérian als individuele werkgever een zware verplichting, alvorens zij mocht overwegen om een op dezelfde leest geschoeide (slechtere) regeling in afwijking van de geldende cao zonder instemming van de betrokken vakorganisaties eenzijdig in te voeren, om maximaal te streven naar overeenstemming met de vakorganisaties. Gesteld noch gebleken is echter dat dergelijk (open en intensief) overleg door Vérian is gevoerd. Het is begrijpelijk dat FNV de door Vérian aangeboden afbouwregeling niet als een toereikende compensatie heeft aangemerkt voor de forse structurele inkomensterugval van de medewerkers. Met betrekking tot de vorderingen van de werknemers faalt het beroep van Vérian op artikel 7:611 BW, reeds omdat niet valt in te zien dat de werknemers, als goede werknemers, genoegen moeten nemen met een voorstel tot functiewijziging en salarisvermindering in strijd met de cao, terwijl een partij bij diezelfde cao nakoming daarvan mag verlangen. Voor wat betreft de gevraagde toepassing van artikel 6:258 BW geldt ten slotte dat Vérian aan de kantonrechter geen (zelfstandig) verzoek heeft gedaan om op grond van gewijzigde omstandigheden tot aanpassing van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te komen, en op de uitkomst van een dergelijk verzoek kan nu eenmaal niet worden vooruitgelopen (vgl. Ktr. Amsterdam 23 februari 2015, RAR 2015/69). De kantonrechter verbiedt Vérian verder uitvoering te geven aan de herindeling van haar uitvoerende medewerkers in de functieschaal van Basishulp Huishoudelijke Verzorging en draagt Vérian op om de reeds ingehouden loonbedragen aan haar uitvoerende medewerkers na te betalen.