Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16 juni 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:4347
Mediq Apotheken BV/werkneemster
Werkneemster is op 22 september 1980 in dienst getreden van Apotheek Pykstra B.V. Apotheek Pykstra maakte deel uit van de Mediveen Groep B.V., die later is overgegaan in Mediq Apotheken B.V. Per 1 januari 2002 zijn de diensten bij Mediq grotendeels gecentraliseerd. Ter compensatie van de financiële achteruitgang die werkneemster ten gevolge van het centraliseren heeft ondervonden, is met ingang van 1 januari 2002 de compensatieregeling van Mediveen in werking getreden, die een tijdelijk karakter kende van vijf jaren en een afbouwregeling was. Met ingang van 1 april 2002 is in de CAO voor de Apotheken 2002-2004 (hierna: de cao) artikel 12 lid 3 opgenomen, waarin de compensatie voor het vervallen van diensten wordt geregeld. Volgens werkneemster heeft zij recht op de blijvende compensatie uit artikel 12 lid 3 cao. Mediq ziet dat anders. Het betoog van Mediq komt erop neer dat, nu de centralisatie van diensten in Apotheek Pykstra zijn beslag heeft gekregen op 1 januari 2002, op welk moment de bepaling van artikel 12 lid 3 nog niet in de cao was opgenomen, deze bepaling niet van toepassing is en derhalve ook geen invloed heeft op de centralisatie van diensten per 1 januari 2002.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is van oordeel dat artikel 12 lid 3 van de cao, dat met ingang van 1 april 2002 is gaan gelden, met inachtneming van de in de rechtspraak ontwikkelde zogenaamde cao-norm, aldus moet worden uitgelegd dat een eventuele aanspraak op de compensatievergoeding ontstaat op het moment waarop de centralisatie van de diensten plaatsvindt en verrichte diensten komen te vervallen, en dat die uitleg meebrengt dat centralisatie die reeds vóór 1 april 2002 heeft plaatsgevonden, in dit geval op 1 januari 2002, niet binnen het bereik van genoemd artikel valt. Mediq voert terecht aan dat een andere uitleg tot rechtsonzekerheid zou leiden. Een apotheek die zijn diensten reeds gecentraliseerd had, zou achteraf worden verrast door vorderingen die niet eerder kenbaar waren. Dit betekent dat ook het subsidiaire beroep van werkneemster op het incorporatiebeding in haar arbeidsovereenkomst en het meer subsidiaire beroep op de algemeenverbindendverklaring van de cao 2002-2004 op 13 december 2002 falen (de algemeenverbindendverklaring heeft geen terugwerkende kracht).