Naar boven ↑

Rechtspraak

Opdrachtnemer/opdrachtgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 augustus 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:5849

Opdrachtnemer/opdrachtgever

Incidentele opdrachten vallen niet onder 'in de regel meer dan' ex artikel 1 onder b sub 2 BBA.

Partijen hebben op 1 oktober 2009 een overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten, waarbij de opdrachtnemer diensten als bemiddeling bij het tot stand komen van verkoopcontracten van gebruikte/ingeruilde recyclingmachines van opdrachtgever aanbood. Wegens tegenvallende verkoopresultaten heeft opdrachtgever deze overeenkomst op 16 juli 2012 tegen 17 januari 2013 opgezegd. Bij brief van 14 november 2012 is namens opdrachtnemer een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging wegens het ontbreken van toestemming van UWV Werkbedrijf. In hoger beroep staat onder meer de vraag centraal of opdrachtnemer de bescherming van het BBA toekomt. De kantonrechter oordeelde van niet, omdat sprake was van drie opdrachtgevers.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat het BBA bescherming beoogt te bieden aan de daarin omschreven ‘werknemers’ en dat brengt mee dat de in artikel 1 aanhef en onder b sub 2 genoemde criteria objectief van aard zijn (met uitzondering van het persoonlijk verrichten van de arbeid omdat daarbij van belang is wat partijen zijn overeengekomen en derhalve ook de subjectieve partijbedoelingen een rol kunnen spelen). De feitelijke situatie ten tijde van de opzegging van de overeenkomst van opdracht is van belang (Vgl. HR 21 maart 1969, NJ 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4919 321 en HR 9 december 2011, NJ 2012, 259, ECLI:NL:HR:2011:BT7500). Daarbij gaat het niet uitsluitend om de dag van opzegging van de overeenkomst, maar om een referteperiode van enige tijd (vgl. Gerechtshof Amsterdam 21 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1521). De omstandigheid dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht in artikel 9 daarvan hebben verklaard dat zij geen arbeidsverhouding beoogden, is voor de beoordeling van de vraag of er op het moment van het opzeggen van de overeenkomst was voldaan aan genoemde criteria niet relevant. Het hof is van oordeel dat een incidentele opdracht niet kan worden gekwalificeerd als het in de regel werken voor meer dan twee opdrachtgevers. Het hof is met opdrachtnemer van oordeel dat de woorden ‘in de regel’ uit artikel 1 aanhef en onder b sub 2 BBA een zekere continuïteit veronderstellen. Daarvan is met deze enkele, incidentele opdracht nog geen sprake. Bij de vraag of de werkzaamheden van bijkomstige aard waren, is de omvang van de werkzaamheden en het daaruit verkregen inkomen in relatie tot de voor andere opdrachtgevers verrichte werkzaamheden en het daarmee verworven inkomen van belang. Nu alleen opdrachtnemer daar inzicht in kan geven, zal het hof hem opdragen om bij akte een door zijn accountant opgesteld overzicht – voorzien van onderliggende bewijsstukken – in het geding te brengen waaruit blijkt welke opdrachtgevers opdrachtnemer in het eerste half jaar van 2012 had en welke inkomsten opdrachtnemer in die periode heeft verworven uit de werkzaamheden die hij voor de verschillende opdrachtgevers heeft verricht, gespecificeerd per opdrachtgever.