Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28 juli 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:3078
Liquore Pisa International BV/werknemer
LPI drijft een onderneming die zich bezighoudt met de vervaardiging, distributie en verkoop van een alcoholhoudende notenlikeur met de merknaam ‘Pisa’. Werknemer is van 1 maart 2009 tot 9 juli 2013, althans 1 november 2013, in loondienst van LPI geweest, aanvankelijk op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar en vanaf 1 maart 2010 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij heeft in de onderneming van LPI de functie van exportmanager vervuld, tegen een jaarsalaris van € 100.000 bruto. In die functie heeft hij contacten onderhouden met distributeurs en (weder)verkopers van Pisa binnen en buiten Nederland. Y is de levenspartner van werknemer. In de arbeidsovereenkomst van werknemer staan een geheimhoudingsbeding en een nevenactiviteitenbeding. Vanaf een datum in 2012 heeft werknemer ook werkzaamheden voor Bush verricht. Bush vervaardigt en verkoopt een alcoholhoudende kruidenlikeur met de merknaam ‘Killepitsch’. Werknemer heeft facturen aan Bush gestuurd. LPI heeft in 2012 en 2013 onderhandeld over een vorm van samenwerking met Vision Wine & Spirits LLC (hierna: Vision), een in de Verenigde Staten gevestigde importeur en verkoper van alcoholhoudende dranken. Werknemer heeft medewerkers van Vision gemaild over de interne verhoudingen binnen LPI en het mogelijke faillissement indien de deal met Vision niet door zou gaan. De deal is niet doorgegaan. Op 9 juli 2013 heeft LPI werknemer op staande voet ontslagen. Zij heeft dit ontslag bij brief gedateerd 11 juli 2013 aan werknemer bevestigd en daarbij als reden voor het ontslag meegedeeld, samengevat, dat laatstgenoemde, anders dan hij eerder had verklaard, naast zijn dienstbetrekking bij LPI betaalde arbeid verrichte voor Bush en voor eigen gewin acquisitie pleegde, ‘zelfs onder relaties van LPI’, dat de desbetreffende werkzaamheden ernstig ten koste zijn gegaan van LPI, van wie de omzet is ‘gedecimeerd’, dat LPI reis- en verblijfkosten voor werknemer heeft betaald, terwijl deze ‘werkzaamheden voor derden verrichtte en niet of onvoldoende voor LPI’, en dat werknemer ‘recentelijk ongeoorloofd afwezig is geweest’. LPI heeft schadevergoeding gevorderd van zowel werknemer als Y. Werknemer vordert loon wegens ten onrechte verleend ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft een netto equivalent van € 12.358,21 aan vergoeding toegekend aan LPI voor de uren dat LPI werknemer heeft betaald, terwijl hij werkzaamheden voor derden verrichtte.
Het hof oordeelt als volgt. De werkzaamheden voor Bush leveren een flagrante schending op van het nevenwerkzaamhedenbeding en het daardoor gediende belang van LPI, mede in aanmerking genomen de aard van die werkzaamheden en de kennelijke omvang daarvan, blijkend uit de door werknemer aan Bush in rekening gebrachte bedragen. De overtreding van het genoemde beding brengt daarom mee dat van LPI redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met werknemer te laten voortduren en, dus, dat een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet aanwezig was. Dat LPI op 5 juli 2013, enkele dagen voor het ontslag op staande voet, toestemming heeft gevraagd aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zoals werknemer onweersproken heeft gesteld, maakt dat niet anders en staat evenmin in de weg aan de aanwezigheid van een dringende reden voor het gegeven ontslag.
Behalve tot terugbetaling van loon strekken de vorderingen van LPI tegen werknemer – in conventie – voornamelijk tot vergoeding van de schade die LPI stelt te hebben geleden als gevolg van de overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding en het geheimhoudingsbeding door werknemer. Dat de onderhandelingen met Vision zijn stukgelopen op schending van het geheimhoudingsbeding is onvoldoende komen vast te staan. Voor zover de vorderingen van LPI tot schadevergoeding zijn gegrond op overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding door werknemer, heeft LPI de door haar genoemde schadeposten ‘extra marketingkosten’, ‘conflict of interest’, ‘reputatieschade’ en ‘beëindiging distributieovereenkomst’, aangenomen dat zij nog steeds wil betogen dat deze schades een gevolg zijn van die overtreding, zowel op het punt van dat gevolg als wat betreft de stelling dat die schades zich daadwerkelijk hebben voorgedaan – ook in hoger beroep – niet afdoende onderbouwd. De vorderingen zijn daarom in zoverre niet toewijsbaar. Dit is anders voor zover de vorderingen strekken tot vergoeding van voor rekening van LPI gekomen reis- en verblijfkosten van werknemer betrekking hebbend op buitenlandse reizen en bezoeken aan afnemers waarbij hij ten minste mede de belangen van Bush heeft gediend en de daling van omzet.