Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 8 september 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:2342
Connexxion Taxi Services B.V./werknemer
(Verwijzingsarrest na HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2128, AR 2013-1019.) Werknemer is op 1 januari 2001 in dienst getreden van Connexxion in de functie van chauffeur. Werknemer heeft zich in februari 2007 ziek gemeld wegens klachten aan de rechterarm. Na een korte hersteldmelding is werknemer opnieuw uitgevallen. De bedrijfsarts heeft werknemer in staat geacht vervangende werkzaamheden te verrichten. Werknemer heeft dit niet gedaan. Connexxion heeft vanaf 1 juli 2007 tot 1 augustus 2008 geen loon betaald wegens het schenden van re-integratieverplichtingen door werknemer. Met toestemming van de CWI heeft Connexxion de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 augustus 2008. De door de werknemer aangevraagde Ziektewetuitkering is aanvankelijk geweigerd, omdat hij verwijtbaar zou hebben gehandeld. In augustus 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de ZW-procedure geoordeeld dat werknemer op 17 juli 2007 niet geschikt was voor het aangeboden vervangende werk en is de Ziektewetuitkering alsnog toegekend. De kantonrechter heeft de loonvordering van werknemer over de periode 1 juli 2007 tot 1 augustus 2008 toegewezen. Het hof heeft de loonvordering afgewezen, stellende dat het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts het ontbreken van een deskundigenoordeel ex artikel 7:629a BW niet herstelt. Tegen dit oordeel heeft werknemer cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad overwoog als volgt. Het bestreden oordeel van het hof (r.o. 3.9) dat met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts niet wordt voldaan aan het doel en de strekking van artikel 7:629a BW, komt erop neer dat het rapport niet mede kan dienen om te oordelen dat van werknemer in redelijkheid niet kan worden gevergd een verklaring van een UWV-deskundige bij de loonvordering te voegen. Dit oordeel moet worden bezien tegen de achtergrond van de navolgende feiten en omstandigheden: (1) werknemer heeft getracht een deskundigenoordeel in te winnen, maar het UWV heeft de aanvraag teruggestuurd en niet in behandeling willen nemen; (2) aan de daaropvolgende ontslagaanvraag van Connexxion en de weigering van de ZW-uitkering door het UWV lag ten grondslag dat werknemer weigerde, onder meer medio juli 2007, om passende arbeid te verrichten waarvoor hij geschikt werd geacht; (3) in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, dat is opgemaakt in het kader van de ZW-uitkeringsaanvraag, is onder meer uiteengezet dat medio juli 2007 onvoldoende medische informatie voorhanden was om te oordelen dat werknemer geschikt was voor de hem aangeboden werkzaamheden. Vervolgens heeft het UWV aan werknemer een ZW-uitkering met ingang van 1 augustus 2008 toegekend; (4) werknemer heeft de onderhavige vorderingen aanhangig gemaakt in april 2010. Deze betreffen de periode van 1 juli 2007 (opschorting loonbetalingen) tot 1 augustus 2008 (ontslagdatum). In het licht van een en ander is, ook met inachtneming van de gepaste terughoudendheid, onbegrijpelijk waarom met behulp van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts niet kan worden geoordeeld dat in redelijkheid niet van werknemer kan worden gevergd alsnog een verklaring van een UWV-deskundige bij de loonvordering te voegen.
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van de omstandigheden zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad is het hof van oordeel dat het overleggen van een deskundigenoordeel in redelijkheid niet van werknemer kan worden gevergd. Aan dat oordeel doet niet af hetgeen Connexxion heeft aangevoerd ten betoge dat werknemer zich niet op de uitzondering van artikel 7:629a lid 2 BW kan beroepen. Voor het aannemen van een uitzondering is niet vereist dat een objectieve legitimering bestaat voor het ontbreken van een deskundigenoordeel. Om die reden is dan ook niet doorslaggevend dat het aanvraagformulier voor het verkrijgen van het deskundigenoordeel onvolledig was ingevuld en om die reden door het UWV is geretourneerd. Ook als juist zou zijn dat werknemer de geretourneerde aanvraag had kunnen aanvullen, doet dat er niet aan af dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden alsnog een deskundigenoordeel aan te vragen, nadat hij kennis had gekregen van de rapporten van de algemeen verzekeringsarts en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Vast staat dat beide deskundigen als (bezwaar)verzekeringsarts in dienst zijn van het UWV. Verder valt niet in te zien dat de rapportage van de algemeen verzekeringsarts van 5 september 2007 niet (mede) kan dienen ter beoordeling van de vraag of werknemer in juli 2007 in staat was om de aangeboden vervangende werkzaamheden te verrichten. De algemeen verzekeringsarts heeft werknemer immers op 5 september 2007 gezien en geoordeeld dat nog niet duidelijk was wat precies diens medische beperkingen waren, omdat de daarvoor benodigde gegevens van de behandelende sector toen nog ontbraken. Daarom kon op dat moment ook nog niet worden toegekomen aan een arbeidskundig oordeel over de passendheid van de door Connexxion aangeboden vervangende werkzaamheden. In juli 2007 was de situatie niet anders. Het hof is op grond van de rapporten van de algemeen verzekeringsarts van september 2007 en maart 2008 en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts uit augustus 2009 van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de aangeboden werkzaamheden konden worden beschouwd als passende arbeid als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 BW en artikel 7:658a lid 4 BW.