Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Autorijschool X VOF
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 29 september 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:3763

werknemer/Autorijschool X VOF

Werkgever verspeelt niet recht op tegenbewijs na vervalsen arbeidsovereenkomst. Uitleg reikwijdte artikel 7:610b BW: weerlegging rechtsvermoeden door uitdraai agenda rijschoolhouder.

Werknemer is met ingang van 1 december 2011 in dienst getreden van de Autorijschool voor de duur van zes maanden. Bij schriftelijke afspraak is de arbeidsovereenkomst met 1,5 maanden verlengd. Werknemer betwist de authenticiteit van het schriftelijke document en stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend voor zes maanden is verlengd.

Het hof oordeelt als volgt. Indien het hof er stellenderwijs van uitgaat dat, zoals werknemer stelt, maar door de Autorijschool c.s. wordt ontkend, de Autorijschool c.s. valselijk de handtekening van werknemer onder het stuk hebben geplaatst, brengt dit nog niet mee dat de Autorijschool c.s. daarmee het recht hebben verspeeld om bewijs te leveren van de afspraak dat het contract met nog slechts zes weken zou worden verlengd. Het recht geeft de rechter namelijk de vrijheid om in een dergelijk geval aan een dergelijk feit de conclusie te verbinden die de rechter geraden voorkomt. Terecht heeft de kantonrechter aan het feit dat de Autorijschool c.s. stellenderwijs een handtekening zouden hebben vervalst, niet meteen de conclusie verbonden dat zij niet meer tot bewijs van hun stelling worden toegelaten. Uit het enkele feit dat de Autorijschool c.s. stellenderwijs valselijk de handtekening van werknemer onder dat stuk zouden hebben gezet, volgt immers niet onvermijdelijk de conclusie dat de door hen gestelde afspraak niet zou zijn gemaakt. De kantonrechter heeft de Autorijschool c.s. dan ook terecht in de gelegenheid gesteld hun stelling ter zake te bewijzen. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de Autorijschool c.s. heeft bewezen dat het tot 1 juni 2012 lopende contract met zes weken is verlengd. Daarbij weegt vooral mee dat werknemer zelf aan X een e-mail heeft gestuurd waaruit blijkt dat hij voornemens is zijn eigen bedrijf te starten. Wel volgt uit de diverse stukken dat werknemer pas per 1 september 2012 is gestopt met werken (dus nogmaals een verlenging van zes weken na half juli).

Nu niet vaststaat dat de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in drie voorafgaande maanden minimaal 212 uren heeft bedragen, wordt niet toegekomen aan het vermoeden van artikel 7:610b BW. Het hof is overigens van oordeel dat ook als aan de hand van het door werknemer gestelde bezien in samenhang met de door hem ter zake overgelegde stukken wel van het vermoeden van artikel 7:610b BW zou kunnen worden uitgegaan, dit vermoeden is weerlegd door de door de Autorijschool c.s. overgelegde uitdraaien van de agenda van werknemer bezien in samenhang met het feit dat uit niets blijkt dat werknemer op enig moment voordat de dagvaarding in eerste aanleg is betekend, aanspraak heeft gemaakt op betaling van het thans door hem beweerdelijk gemaakte grote aantal overuren. Daarmee hoeft de vraag niet te worden beantwoord of dit wettelijke vermoeden van artikel 7:610b BW alleen van toepassing is in het geval van een vordering van een werknemer om te komen tot een tewerkstelling voor een duur inclusief de overwerkuren terwijl geen sprake is van een fulltime dienstverband.