Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 15 oktober 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:4865
Primera/werknemer
Werknemer is sinds 1 maart 2012 in dienst. Partijen zijn in de arbeidsovereenkomst een gemiddelde arbeidsduur van 10 uur per week overeengekomen. Daarnaast zijn zij een stageopdracht/-overeenkomst aangegaan voor 16 uur per week. Op 25 april 2015 heeft Primera werknemer verzocht de werkvloer te verlaten omdat hij ervan werd verdacht een bedrag uit de kassa te hebben gestolen. Daarbij heeft Primera aan werknemer verzocht zijn sleutels in te leveren onder de mededeling ‘Einde oefening’. Primera heeft werknemer niet meer opgeroepen te werken en geen loon meer betaald. In kort geding is de loonvordering van werknemer toegewezen. Primera verzoekt de arbeidsovereenkomst - ingevolge artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel e dan wel g BW - voorwaardelijk te ontbinden voor de situatie dat in een bodemprocedure zal blijken dat er geen sprake is geweest van een gegeven ontslag op staande voet, dan wel voor de situatie dat het ontslag op staande voet in een bodemprocedure wordt vernietigd. Primera stelt dat werknemer zich op verschillende data heeft schuldig gemaakt aan het onttrekken van geld uit de kas, krasloten en Lotto-, ToTo- en LuckyDay-formulieren en PostNL PaySafe-kaarten. Het verweer van werknemer strekt tot afwijzing van het verzoek.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van de overgelegde producties is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer zich op 29 januari 2015 schuldig heeft gemaakt aan de onttrekking van de PaySafe-kaarten ter waarde van € 2.100 zonder dat deze kaarten verkocht zijn. Door werknemer is voor de aangetoonde onttrekkingen ook geen valide verklaring gegeven. Het handelen van werknemer is zodanig verwijtbaar, dat van Primera niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt in casu niet in de rede, mede gelet op het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 BW. De arbeidsovereenkomst wordt, voor zover deze nog bestaat dan wel voor zover daar nog sprake is van een stagerelatie/stage-opdracht met werknemer op de voet van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW juncto artikel 7:671b BW ontbonden. Geoordeeld wordt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door werknemer. De kantonrechter overweegt in dit verband dat de positie van de winkelbediende in de Primera-winkel een vertrouwensrelatie met zich brengt waarin de medewerker de mogelijkheid heeft om in korte tijd over heel veel geld van de winkeleigenaar te beschikken. Door de onregelmatigheden kan er bovendien een sfeer van onderling wantrouwen ontstaan tussen de verschillende personeelsleden of tussen de werkgever en het gehele personeel. Malversaties als de onderhavige zijn zeer moeilijk te bewijzen, zodat de ‘pakkans’ relatief laag is terwijl het financieel gewin nagenoeg onbegrensd is. Dit alles draagt bij aan de ernst van het aan werknemer te maken verwijt. De arbeidsovereenkomst wordt (met toepassing van art. 7:671b lid 8 onderdeel b BW) met ingang van heden ontbonden zonder toekenning van een transitievergoeding (art. 7:673 lid 7 onderdeel c BW).
Anders dan werknemer stelt, kan een schadevordering als door Primera ingesteld bij wege van een nevenvordering op de voet van artikel 7:686a BW ook in de onderhavige verzoekschriftprocedure worden ingesteld nu de vorderingen samenhangen met de verzochte ontbinding. In totaal wordt ter zake de ontvreemde bedragen een schadevergoeding van € 2.100 aan Primera toegewezen. De vorderingen tot terugbetaling van een aantal gewerkte uren en het geven van een verklaring voor recht omtrent de omvang van het aantal gewerkte uren worden afgewezen. De stelling van Primera dat abusievelijk te veel uren zijn uitbetaald aan werknemer gedurende de looptijd van de praktijkovereenkomst, wordt niet gevolgd.