Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting voor Algemeen Bijzonder Voortgezet Onderwijs Flevoland/werkneemster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 12 oktober 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:7595

Stichting voor Algemeen Bijzonder Voortgezet Onderwijs Flevoland/werkneemster

Ontbinding arbeidsovereenkomst docent wegens verstoorde arbeidsrelatie. C=0,25.

Werkneemster is sinds 1 augustus 2007 in dienst van ABVO, laatstelijk in de functie van docent beeldende vorming. ABVO verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens gewichtige redenen (op grond van art. 7:685 (oud) BW). ABVO is primair van mening dat sprake is van een dringende reden en subsidiair van veranderingen in de omstandigheden. Op 1 en 2 juni 2015 heeft werkneemster twee e-mailberichten verstuurd aan A (directeur). In deze e-mailberichten uit werkneemster een groot aantal ernstige tot zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van B (adjunct-directeur), zonder dat deze steun vinden in de feiten of dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat. Daarnaast maakt werkneemster eveneens ongefundeerde verwijten aan het adres van de schoolleiding. Het door werkneemster daarbij gebezigde taalgebruik is niet gebruikelijk onder het docentencorps van ABVO. Een vruchtbare samenwerking behoort niet meer tot de mogelijkheden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu er bij ABVO geen vertrouwen meer is in werkneemster, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Ten aanzien van de vergoeding wordt het volgende overwogen. De kantonrechter stelt voorop dat het zonder meer begrijpelijk is, gelet op de tendentieuze inhoud, het woordgebruik en de negatieve toonzetting van de e-mailberichten van 1 en 2 juni 2015, alsmede het diffamerende karakter ervan, dat ABVO in haar wiek geschoten is door die e-mailberichten. Dit geldt te meer nu de in die e-mailberichten gemaakte verwijten aan het adres van B, voor wat betreft het beweerde stalken, stelselmatige pesten, frauduleuze handelen, het plegen van valsheid in geschrifte en het opzetten van collega’s tegen haar, in het licht van hetgeen ABVO daartegen in heeft gebracht, onvoldoende onderbouwd zijn. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, en gezien de door hen overgelegde stukken, wordt geconcludeerd dat, hoewel de opstelling van B in het gesprek van 15 oktober 2013 de verhoudingen geen goed heeft gedaan, het uiteindelijk met name het van weinig professionaliteit getuigende gedrag van werkneemster is geweest, die tot een zodanige verstoring van de arbeidsrelatie heeft geleid, dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. Haar valt ter zake een groter verwijt te maken dan ABVO. Mede gelet op de aanvullende en aansluitende WW-uitkering waarop werkneemster aanspraak maakt, wordt een vergoeding toegekend met C=0,25 (€ 15.840 bruto).