Naar boven ↑

Rechtspraak

APS B.V./werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 27 oktober 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:4350

APS B.V./werknemer

Uitleg concurrentiebeding naar Lundiform/Mexx. Wordt werknemer enkel verboden een eigen onderneming te drijven of is indiensttreding als werknemer eveneens verboden?

Op 1 april 2010 heeft APS Auto Lico B.V. (hierna: Auto Lico) overgenomen. Werknemer is van rechtswege op 1 april 2010 in dienst getreden van APS. Partijen hebben daaraan voorafgaand op 16 maart 2010 schriftelijk de functiebenaming (buitendienstmedewerker) en het salaris (laatstelijk € 3.298,75 bruto per maand excl. vakantiegeld en emolumenten) vastgelegd. Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst gesloten met daarin onder meer een concurrentiebeding, dat als volgt luidt: ‘Artikel 15 Concurrentiebeding. Met de werknemer is afgesproken dat het concurrentiebeding zoals hieronder omschreven in werking zal treden nadat de werknemer 1 kalenderjaar in dienst is bij de werkgever, zijnde 1 april 2011. Concurrentiebeding: De werknemer zal zonder toestemming van APS BV gedurende het bestaan der dienstbetrekking en, na beëindiging van de dienstbetrekking binnen een tijdvak van 1 jaar, binnen een straal van 80 kilometer van de standplaats van werknemer niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van APS BV vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook in of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook hebben, zulks op verbeurte van een direct opeisbare boete van € 4.500,- per gebeurtenis en tevens 450,- voor iedere dag, dat hij in overtreding is, te betalen aan APS BV, onverminderd het recht om volledige schadevergoeding te vorderen van de werknemer, indien deze meer mocht belopen. In geval van overtreding of niet-nakoming van één der bovenbedoelde verplichtingen is de werknemer uit kracht van het enkele feit der overtreding in gebreke, zonder dat sommatie of enige andere formaliteit nodig zal zijn en zonder dat schade behoeft te worden aangetoond.’ Op 30 april 2015 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst met APS opgezegd per 1 juni 2015 om bij X Automotive B.V. in dienst te treden als regio salesmanager tegen een loon van € 4.500 per maand te vermeerderen met vakantiegeld, bonus en overige emolumenten. Werknemer heeft schorsing van het concurrentiebeding gevorderd. Volgens werknemer dwingt de tekst van het concurrentiebeding niet tot de gevolgtrekking dat hij niet in dienst mag treden van een concurrent.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen partijen is geregeld, het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen (zoals in het geval van twee professionele partijen die over gedetailleerde bepalingen hebben onderhandeld, bijgestaan door juridische adviseurs), kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moeten worden gehecht. De vrijheid om in bepaalde gevallen als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Vervolgens dient de rechter te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx)).

De van belang zijnde passage in het concurrentiebeding luidt: ‘niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van APS BV vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook in of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook hebben’. Door het woord ‘alsook’, dat volgens Van Dale woordenboek en daarmee naar algemeen spraakgebruik, een voegwoord is en als betekenis heeft: ‘en ook; evenals’ worden de woorden ‘in of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook hebben’ gevoegd aan de woorden die daaraan voorafgaan, te weten ‘in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van APS BV vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect’. Objectief taalkundig gezien is er geen reden voormelde voeging van de woorden: ‘in of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook hebben’ te beperken tot de woorden: ’niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van APS’ dus met weglating van ‘vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven’. APS voert nog aan dat het rechtsgevolg van de door werknemer voorgestane uitleg niet voor de hand ligt, omdat het niet mogelijk is om in dienst te zijn van een onderneming die men zelf drijft of doet drijven. Voormelde stelling van APS wordt door het hof niet gevolgd. Met de aanduiding ‘in enigerlei vorm een zaak (…) drijven’ wordt kennelijk de mogelijkheid geadresseerd dat de zaak door een rechtspersoon wordt gedreven. In het geval dat een concurrerende zaak door een rechtspersoon zou worden gedreven, in welke rechtspersoon werknemer aandelen zou houden en dus een zaak (mede) doet drijven, zou het voor werknemer rechtens mogelijk zijn om bij die rechtspersoon in dienst te zijn. APS voert verder aan dat de lezing van werknemer objectief niet voor de hand ligt, omdat de woorden; ’in of daarvoor werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking’ dan zonder betekenis zouden zijn. Immers indien men zelf een zaak drijft impliceert dit reeds dat men daarin werkzaam is, aangezien het begrip ‘drijven’ hier ‘uitoefenen’ betekent. Aan APS kan worden toegegeven dat de toevoeging: ‘op enigerlei werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking’ geen zelfstandige betekenis heeft, omdat onder ‘drijven’ volgens Van Dale woordenboek moet worden verstaan: ‘als beroep uitoefenen/handel drijven’. Indien men een zaak drijft, dan is daarmee inderdaad al gegeven dat men in de zaak werkzaam is, al dan niet in dienstbetrekking. APS verbindt nog aan het kopje ‘Concurrentiebeding’ boven de bepaling zelf, de conclusie dat de bepaling een verbod impliceert om te concurreren. Daarmee is echter niet zonder meer de betekenis gegeven die APS aan het beding geeft. Er bestaan onder de noemer ‘concurrentiebeding’ immers verschillende afspraken omtrent de beperking of uitsluiting van concurrerende werkzaamheden. Waar het kort en goed om gaat is dat in dit geval geen sprake is van een meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van het concurrentiebeding en voorts, dat het beding door APS is opgesteld, dat het niet aannemelijk is geworden dat partijen omtrent de inhoud van dat beding hebben onderhandeld noch dat voorafgaande aan ondertekening van de arbeidsovereenkomst aan werknemer de door APS voorgestane reikwijdte van dat beding is medegedeeld, dat werknemer de werknemer is en dat het beding ingrijpende gevolgen heeft voor de werknemer. Bij die stand van zaken kan werknemer naar het voorlopig oordeel van het hof niet aan een door APS bepleite betekenis van het concurrentiebeding worden gehouden en heeft de kantonrechter terecht de gevraagde voorziening gegeven.