Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Coöperatieve Rabobank Alkmaar e.o. U.A.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 19 oktober 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:10443

werknemer/Coöperatieve Rabobank Alkmaar e.o. U.A.

Door het met terugwerkende kracht in werking treden van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen en het ontbreken van een deugdelijke overgangsregeling, is de tussen werknemer en Rabobank op 14 januari 2015 gemaakte afspraak over beëindigingsvergoeding van € 450.000 nietig. Wettelijke regeling is in strijd met rechtszekerheidsbeginsel en artikel 1 EP (ongestoord recht op eigendom).

Werknemer is sinds 1985 in dienst geweest van Rabobank, laatstelijk in de functie van statutair directeur bedrijfsmanagement. Ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn partijen op 14 januari 2015 een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. Daarin wordt bepaald dat aan werknemer een beëindigingsvergoeding van € 450.000 wordt toegekend. Op 7 februari 2015 is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 in werking getreden de Wet op het financieel toezicht houdende regels met betrekking tot het beloningsbeleid van financiële ondernemingen (Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen). Deze wet behelst een wijziging van de Wet op het financieel toezicht (Wft). De tussen partijen afgesproken beëindigingsvergoeding overschrijdt de volgens voornoemde wet gelet op het salaris van werknemer (€ 11.716,40 bruto per maand, excl. vakantietoeslag en dertiende maand) toegestane maximale vertrekregeling. Tussen partijen is in geschil of de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepaling over de overeengekomen beëindigingsvergoeding nietig is.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vastgesteld kan worden dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen de door partijen overeengekomen beëindigingsvergoeding alsnog in strijd is gekomen met artikel 1:125 Wft, daarmee in strijd met een dwingende wetsbepaling als bedoeld in artikel 3:40 lid 2 BW, en als gevolg daarvan nietig is. Het voorgaande heeft tot gevolg dat Rabobank niet tot nakoming van de gemaakte afspraak kan worden gehouden, behoudens indien artikel 1:125 Wft in onderhavig geval buiten toepassing dient te blijven omdat: (1) dit artikel in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en/of (2) de terugwerkende kracht van dit artikel in dit geval in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, zoals door werknemer betoogd. Werknemer stelt zich op het standpunt dat vanwege de terugwerkende kracht van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen en het ontbreken van een deugdelijke overgangsregeling de door werknemer en Rabobank op 14 januari 2015 bevoegdelijk gemaakte afspraak over de beëindigingsvergoeding achteraf gezien nietig is. Hiermee is genoemde wettelijke regeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en daarmee in strijd met het in artikel 1 EP neergelegde recht op ongestoord recht op eigendom.

Het standpunt van werknemer moet als juist worden aanvaard. Op 14 januari 2015 hebben partijen op grond van de toen geldende wetgeving bevoegdelijk een ontbindingsvergoeding van € 450.000 mogen afspreken, op grond waarvan werknemer een vorderingsrecht tot betaling van dat bedrag ten laste van Rabobank verkreeg. Vervolgens is dit vorderingsrecht op 7 februari 2015 teniet gegaan vanwege de terugwerkende kracht waarmee de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen in is gegaan en het ontbreken van een overgangsregeling die ziet op afspraken die zijn gemaakt met werknemer. De overgangsregeling (neergelegd in art. 1:125 lid 3 Wft) bepaalt namelijk dat het betreffende verbod tot en met 1 juli 2015 niet van toepassing is op uit te keren vertrekvergoedingen als de onderhavige die voortvloeien uit een door de onderneming voorafgaande aan 1 januari 2015 aangegane verplichting en de tussen partijen aangegane regeling dateert van 14 januari 2015. In dit kader verdient opmerking dat bij de totstandkoming van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen aandacht is besteed aan de noodzaak van een passende overgangsregeling in verband met de verenigbaarheid van het (toenmalig) wetsvoorstel met artikel 1 EP. De wetgever heeft naar aanleiding van het advies van de afdeling Advisering van de Raad van State aanleiding gezien alsnog te voorzien in een overgangsregeling, waarbij de wetgever ervan uit is gegaan dat de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen op 1 januari 2015 zou ingaan. Uitgaande van die ingangsdatum zou de tussen partijen afgesproken ingangsdatum van meet af aan nietig zijn geweest, hetgeen voor partijen ook kenbaar zou zijn geweest, maar nu vanwege vertraging in het wetgevingsproces de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen op 7 februari 2015 met terugwerkende kracht in werking is getreden en de in het wetsvoorstel opgenomen overgangsregeling hierop niet is aangepast, wordt werknemer alsnog geconfronteerd met het door de Raad van State in het advies geschetste en als ongewenst aangemerkte scenario. Naar het oordeel van de kantonrechter is redelijkerwijs de verwachting dat een bodemrechter zal kunnen komen tot het oordeel dat het huidige artikel 1:125 Wft in onderhavig geval buiten toepassing dient te blijven. Het beroep van Rabobank op nietigheid wordt verworpen. Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van € 450.000.