Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Pensioenfonds ABP
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 november 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:4436

werknemer/Stichting Pensioenfonds ABP

Geen onvoorwaardelijk recht op indexatie pensioen beroepsmilitair na omzetting Algemene militaire pensioenwet naar ABP.

Militair (geboren 1930) heeft als beroepsmilitair pensioen opgebouwd. De militair is met in gang van 9 september 1995 met pensioen gegaan. Op 1 juni 2001 is het pensioen overgedragen van het ministerie van Defensie naar ABP. Na 2008 is het pensioen van militair niet langer geïndexeerd. Militair stelt dat hij recht heeft op onvoorwaardelijke indexatie van zijn militair pensioen. Hij licht toe dat de Kaderwet militaire pensioenen (Wet van 13 december 2000 tot vaststelling van een kader voor de vereenvoudiging en de vernieuwing van het militaire pensioenstelsel, in werking getreden op 31 januari 2001) de indexatie als nominale aanspraak garandeert, dat deze wet uitzicht op volledige indexatie garandeert en dat op zijn militair pensioen volledige (onvoorwaardelijke) indexatie van toepassing is. Ten slotte voert hij aan dat met hem nooit is gecommuniceerd dat zijn onvoorwaardelijke indexatie voor het militair pensioen voorwaardelijk is geworden of dat zijn pensioen wegens een lagere dekkingsgraad van het ABP niet hoefde te worden geïndexeerd. De brief van 6 juni 2001 en de garanties van de Kaderwet militaire pensioenen wekten bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen dat hij er financieel niet op achteruit zou gaan.

Het hof oordeelt als volgt. Voor zover militair bedoelt te betogen dat in het gewijzigde artikel L1 AMP het recht op onvoorwaardelijke indexatie is gehandhaafd, verwerpt het hof dit standpunt. In het gewijzigde artikel L1 AMP wordt uitdrukkelijk verwezen naar de Wet privatisering ABP en bepaald dat de pensioenen krachtens de AMP naar overeenkomstige normen en voorwaarden en vanaf hetzelfde tijdstip worden aangepast. Het hof herhaalt dat vaststaat dat het militair pensioen van militair tot 2008 feitelijk werd geïndexeerd (zie r.o. 3.1.4). Daarna is niet langer (volledig) geïndexeerd, vanwege de financiële positie van het pensioenfonds ABP. Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag of militair jegens ABP recht heeft op onvoorwaardelijke indexatie van zijn militair pensioen is de Kaderwet militaire pensioenen. Ingevolge artikel 3 lid 3 Kaderwet militaire pensioenen wordt, zoals overwogen, ‘individuele gelijkwaardigheid van uitzichten op pensioen en, voor het totaal van de aan dezelfde dienstverhouding te ontlenen nieuwe aanspraken, nominale gelijkheid van de op het omzettingsmoment al ingegane pensioenen’ gegarandeerd. Het omzettingsmoment moet daarbij worden gesteld op 1 juni 2001 (zie hiervoor). Waar militair op het omzettingsmoment (slechts) een voorwaardelijk recht op indexatie van zijn militair pensioen had (zie r.o. 3.5.8), ziet de garantie op individuele gelijkwaardigheid en op nominale gelijkheid, waarvan in artikel 3 lid 3 Kaderwet militaire pensioenen sprake is, (slechts) op het voorwaardelijk recht op indexatie. Dat het militair pensioen van militair tot 2008 feitelijk werd geïndexeerd omdat de financiële positie van het pensioenfonds ABP dat toeliet, maakt dit niet anders. Reeds op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat militair jegens ABP geen recht heeft op onvoorwaardelijke indexatie van zijn militair pensioen. Naar het oordeel van het hof kon militair er voorts niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zijn militair pensioen onvoorwaardelijk althans volledig zou worden geïndexeerd. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 2 lid 3 jo. artikel 1 onderdeel g Kaderwet militaire pensioenen, aanspraken op militair pensioen rechtstreeks aan het ABP-pensioenreglement worden ontleend. Ingevolge artikel 17.11.1 van het ABP-pensioenreglement is de indexatie van pensioenen, en ingevolge artikel 2 lid 3 jo. artikel 1 onderdeel g Kaderwet militaire pensioenen dus ook van militaire pensioenen, afhankelijk van de dekkingsgraad van ABP zoals in artikel 17.11.1 van het ABP-pensioenreglement verwoord. De wijze waarop de militaire pensioenen worden gefinancierd, maakt dat niet anders, omdat de toepasselijke regeling niet voorziet in een afwijking wegens die specifieke financieringswijze. Dat tot 2008 het militair pensioen van militair feitelijk werd geïndexeerd, brengt nog niet met zich dat militair daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij recht zou hebben op onvoorwaardelijke indexatie. Tot die tijd werd niet voldaan aan de in artikel 17.11.1 ABP-pensioenreglement genoemde voorwaarde om niet, althans niet volledig te indexeren.