Rechtspraak
werkgeefster/werknemer
Werknemer is sinds 2009 in dienst als touringcarchauffeur. Werkgeefster verzoekt ontbinding op grond van artikel 7:685 (oud) BW en voert daartoe het volgende aan. Werkgeefster heeft in maart 2015 ontdekt dat werknemer al jaren kampt met een ernstig alcoholprobleem. Als gevolg daarvan is hij niet in staat zijn eigen werkzaamheden als touringcarchauffeur te verrichten. Op advies van de bedrijfsarts en met instemming van het UWV verricht werknemer thans passende werkzaamheden. De bedrijfsarts noch het UWV achten werknemer arbeidsongeschikt. Ook indien werknemer wel arbeidsongeschikt zou zijn moet de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. De reden daarvan is dat werknemer niet voornemens is te stoppen met het drinken van alcohol en dus weigert structureel aan zijn alcoholprobleem te werken. Het vertrouwen van werkgeefster in werknemer is onherstelbaar verstoord. Bovendien kan werkgeefster als personenvervoerder met het oog op de veiligheid van de passagiers geen enkel risico nemen. Er is geen verband met een opzegverbod. Mede gelet op het verleden van werknemer, is het risico te groot dat hij in herhaling zal vallen ook nadat de behandeling bij de kliniek is afgerond. Andere passende functies zijn niet voorhanden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat verslaving aan alcohol naar medische maatstaven dient te worden aangemerkt als ziekte en daarnaast volgens vaste rechtspraak dient te worden gekwalificeerd als ziekte in de zin van het BW. Tussen partijen staat voorts vast dat bij werknemer sprake is van een ernstige verslavingsproblematiek. Dit volgt ook uit de rapportage van de verzekeringsgeneeskundige. Ook volgens het daaraan voorafgegane advies van de bedrijfsarts is sprake van alcoholgerelateerd verzuim. Hieraan doet niet af dat geen van beide genoemde artsen de oorzaak van het verzuim als arbeidsongeschiktheid wegens ziekte hebben aangemerkt - wat daar ook van zij - want de kantonrechter kwalificeert het geconstateerde ziektebeeld thans in juridische zin als ziekte in de zin van het BW. Dit betekent dat er in dit geval sprake is van een opzegverbod wegens arbeidsongeschiktheid door ziekte. De overige gronden die door werkgeefster aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, houden onder meer verband met het verhullen van het alcoholprobleem en het geringe vooruitzicht op herstel of hervatting van het eigen werk als touringcarchauffeur in de toekomst en de daaruit volgende onherstelbare vertrouwensbreuk. Die gronden kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangemerkt als gronden die geheel losstaan van de (aard van de) ziekte. Daarom kan niet worden gezegd dat er gronden zijn voor de ontbinding die geen verband houden met de ziekte zodanig dat het beroep op de reflexwerking van het opzegverbod in dit geval niet zou gelden. Op grond van het voorgaande is het beroep van werknemer op (de reflexwerking van) het opzegverbod dan ook gegrond en wordt om die reden het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen.