Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting tot bevordering der notariële wetenschap
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 november 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:4653

werknemer/Stichting tot bevordering der notariële wetenschap

Levenslang medicijnen als gevolg van een hartinfarct levert geen chronische ziekte op in de zin van de WGBH/CZ. Niet verlengen tijdelijke arbeidsovereenkomst geen ontslag noch strijdig met WGBH/CZ. Wel sprake van vermeende discriminatie (leidinggevende gaf aan niet te verlengen vanwege gezondheidsrisico’s) en weerlegging bewijsvermoeden.

De Notariële Stichting is een wetenschappelijke instelling ten behoeve van het notariaat. Zij beheert onder meer een bibliotheek met een belangrijke antiquarische collectie. Werknemer (geboren 1950) is per 1 maart 2009 in dienst getreden van de Stichting voor de duur van een jaar, derhalve tot en met 28 februari 2010, voor 16 uur per week tegen € 1.502 per maand. Werknemer is op 14 augustus 2009 getroffen door een hartinfarct. De Stichting heeft de voor bepaalde tijd met werknemer gesloten arbeidsovereenkomst niet verlengd en hem dat op 29 januari 2010 medegedeeld; de arbeidsovereenkomst eindigde per 28 februari 2010. De echtgenote van werknemer, tevens werkzaam bij de Stichting, heeft van de leidinggevende vernomen dat de reden van de niet-verlenging lag in de gezondheidsrisico’s van werknemer. Op 28 januari 2013 heeft het College voor de Rechten van de Mens op het verzoek van werknemer van 3 augustus 2012 geoordeeld dat de Stichting een verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door de arbeidsovereenkomst met werknemer niet te verlengen. Werknemer vordert de veroordeling van de Stichting tot betaling van een bedrag van € 112.264 bruto met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2010 en de kosten van de procedure. Hij stelt hiertoe dat de Stichting onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zijn arbeidscontract niet te verlengen. De Stichting heeft immers in strijd met artikel 4 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) een verboden onderscheid gemaakt op grond van een chronische ziekte of handicap. De reden om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen was immers (uitsluitend) gelegen in het risico van herhaling van een hartaanval/een daaruit volgende arbeidsongeschiktheid en de mogelijk lange duur daarvan. Deze redenen zijn aan hem medegedeeld door zijn leidinggevende mevrouw Y en in een gesprek nadien met zijn vrouw door diens leidinggevende prof. dr. X , lid en vicevoorzitter van het bestuur van de Stichting. De door werknemer geleden schade wordt door hem begroot op een bedrag van € 112.264 bruto, kort gezegd de inkomstenderving tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Volgens de Stichting lag de niet-verlenging van zijn contract vooral in het ‘eigenwijze karakter’ van werknemer. Bovendien zou sprake zijn van verjaring. Volgens de kantonrechter was in casu geen sprake van een chronische ziekte (levenslang medicijnen gebruiken is nog geen chronische ziekte).

Het hof oordeelt als volgt. Het beroep op verjaring slaagt niet. In deze zaak ligt voor dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd, hetgeen in de kern inhoudt dat de werkgever aangeeft niet bereid te zijn een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan na afloop van de voordien overeengekomen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Die omstandigheid is echter in het licht van de WGBH/CZ niet op één lijn te stellen met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor dat oordeel vindt het hof steun in de uitspraak van HvJ EG van 4 oktober 2001, C-438/99, Jur. 2001, p. I-6915, JAR 2001/219 (Jimenez Melgar/Ayuntamiento de Los Barios), waarin mede naar aanleiding van een opmerking van de Nederlandse regering dat onderscheid gemaakt moet worden tussen een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd, die van rechtswege op een normale datum eindigt en waarop artikel 10 van Richtlijn 92/85 niet van toepassing is en de arbeidsverhouding die door eenzijdige opzegging van de werkgever eindigt en die wel de bescherming van dat artikel geniet. De vervaltermijn van twee maanden is in casu niet van toepassing.

Met betrekking tot de vermeende chronische ziekte, oordeelt het hof aldus. Onder het begrip ‘disabled’ in de zin van de richtlijn dient te worden verstaan een langdurige beperking die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkenen kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen; een geneeslijke of ongeneeslijke ziekte kan hieronder ook vallen. Een handicap is een hinderpaal voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit en niet een onmogelijkheid om die activiteit uit te oefenen (vgl. HvJ EU 11 april 2013, C-335/11, JAR 2013/142 (Ring en Werge)). De stelling van werknemer komt erop neer dat het getroffen zijn door een hartinfarct gevolgd door de noodzaak de rest van zijn leven medicijnen te gebruiken en zich te onderwerpen aan reguliere controles met zich brengt dat hij moet worden aangemerkt als chronisch ziek in de zin van de Richtlijn 2000/78 en de daarop gebaseerde WGHB/CZ. Werknemer heeft daarbij verder geen enkel verband gelegd tussen de ernst van de aandoening en de uiteindelijke gevolgen daarvan voor de door hem te verrichten werkzaamheden als bibliothecaris en de omgeving waarin deze werkzaamheden dienen te worden verricht. Het hof overweegt dat onder de gegeven omstandigheden, waarin bovendien zowel de bedrijfsarts als de arts van het UWV hem op enig moment volledig arbeidsgeschikt hebben geacht, niet kan worden gesproken van een chronische ziekte bij werknemer in de zin van de WGBH/CZ, nu er geen grond is te veronderstellen dat werknemer door de aard van de aandoening op enigerlei wijze langdurig is of zal worden belemmerd in het volledig deelnemen aan het beroepsleven in zijn functie als bibliothecaris. Het hof realiseert zich dat het doorgemaakt hebben van een hartinfarct uiteraard wel als gevolg kan hebben dat iemand aan een chronische ziekte lijdt, maar of dat het geval is wordt in de context van de richtlijn en de WGBH/CZ in belangrijke mate mede bepaald door de ernst van de gevolgen en de aard van de door betrokkene te verrichten werkzaamheden, ook voor de langere termijn.

In de grieven heeft werknemer verder gewezen op de omstandigheid dat indien al zou moeten worden aangenomen dat zijn aandoening niet is te beschouwen als een chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ en de Richtlijn 2000/78, de Stichting niettemin heeft gehandeld in strijd met de WGBH/CZ, omdat de Stichting zich, volgens werknemer, in haar gedragingen heeft laten leiden door de gedachte dat werknemer na zijn hartinfarct moest worden beschouwd als een chronisch zieke werknemer. Ook daartegen biedt de WGBH/CZ bescherming. Die stelling is juist. Ook valt uit de uitlatingen van X een vermoeden van discriminatie af te leiden, zodat de bewijslast in beginsel op de Stichting rust. Het hof acht het bewijsvermoeden voldoende weerlegd, zodat werknemer alsnog het bewijs dient aan te leveren (volgt aanhouding van de zaak).