Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:7457
EZA Verzekeringen B.V./werknemer
Werknemer stuurt een e-mail met daarin een wervende boodschap een specifiek verzekeringsproduct af te nemen. Een product dat hij bij zijn werkgever heeft ontwikkeld en waarvan hij weet dat de mailing ook bij klanten van de werkgever terechtkomt. Die inhoud en strekking zijn immers systematisch en doelgericht tot stand gekomen met de kennis van de specifieke doelgroep van de in het buitenland verblijvende zendingswerker, de kennis van het expat-pakket van De Goudse waarvoor specialistische kennis is vereist, de kennis omtrent de provisies en de kunde, namelijk de ruime ervaringen, opgedaan tijdens zijn dienstverband bij EZA Verzekeringen, waaronder ook de contacten vallen die hij enerzijds met klanten had en anderzijds met De Goudse Verzekeringen. Die kennis en kunde hebben werknemer in staat gesteld om na zijn dienstverband bij EZA Verzekeringen een aanstelling als intermediair voor De Goudse Verzekeringen te verkrijgen, zijn Focus Expat Pakket te ontwikkelen, een verdienmodel te creƫren en vervolgens klanten te werven. Werknemer heeft er bewust voor gekozen om zich te begeven in dezelfde markt als die waarin EZA Verzekeringen zich begeeft. Werknemer wist dat hij zich niet hoefde te richten tot verzekeraar AON, omdat hij uit de voorwaardenvergelijking zoals hij die tijdens zijn dienstverband had gemaakt, wist dat De Goudse Verzekeringen de beste voorwaarden bood. Werknemer heeft er, gelet op zijn jarenlange ervaring op het gebied van assurantie, niet voor gekozen om zich te richten op een andere markt of een ander product aan dezelfde doelgroep van EZA Verzekeringen aan te bieden, maar heeft zich bewust gemanifesteerd als directe concurrent van EZA Verzekeringen. Er is dan ook sprake van onrechtmatige concurrentie. In het onderhavige appelkortgeding vordert EZA een (blijvende) gebodsactie dat werknemer zich onthoudt van onrechtmatig handelen.
Het hof oordeelt als volgt. Op basis van het vonnis van 19 november 2014 staat vast dat het sturen van de e-mail van 14 augustus 2013, in samenhang met de voorbereiding daarvan, onrechtmatige concurrentie inhield. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat de gevorderde voorzieningen thans, bijna drie jaren na het eindigen van de arbeidsovereenkomst (met ingang van 22 december 2012), toewijsbaar zijn. De vorderingen komen neer op een verbod om te werken (in ruime zin) voor of aanbiedingen te doen aan relaties van Eza (primair in het algemeen, subsidiair gedurende een jaar na betekening van het te wijzen vonnis, meer subsidiair gedurende een periode die de rechter juist acht), personeel van EZA te benaderen of contacten te onderhouden met personeel van EZA gedurende een jaar na betekening van het te wijzen vonnis, alsmede op een verbod om zich negatief uit te laten over EZA en/of haar directeur en om het geheimhoudingsbeding te overtreden. Een algemeen verbod om in de toekomst voormalige relaties van EZA te benaderen of voor hen te werken (in ruime zin), is te verstrekkend. Het staat werknemer immers vrij om EZA te beconcurreren, zij het dat hij dat niet op onrechtmatige wijze mag doen. Dat het benaderen van voormalige relaties van EZA of werken voor voormalige relaties van EZA ook thans, bijna drie jaren na het einde van de arbeidsovereenkomst, onrechtmatig zou zijn, ligt niet voor de hand, ook niet omdat in de arbeidsovereenkomst, onder artikel 13.1, een relatiebeding was opgenomen voor een periode van een jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst. EZA heeft deze verbodsvordering dan ook subsidiair beperkt tot de duur van een jaar na betekening van het te wijzen vonnis. Datzelfde geldt voor het gevorderde verbod om personeel van EZA te benaderen. De toewijzing van die vorderingen thans, najaar 2015, ligt te minder voor de hand, omdat deze vorderingen zijn beperkt tot een jaar na het te wijzen vonnis in kort geding. Zouden de vorderingen in kort geding in de eerste aanleg zijn toegewezen, dan zou dat jaar inmiddels reeds geruime tijd zijn verstreken.