Rechtspraak
NS en Nedtrain B.V. /SVB
Werknemer (geboren 1931) is van 27 september 1954 tot en met 6 september 1964 in dienst geweest van de N.V. Nederlandse Spoorwegen. Na beëindiging van dit dienstverband heeft werknemer van 1964 tot 1991 voor Scania gewerkt. In 2008 is bij hem de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (Regeling TAS) heeft SVB aan werknemer een voorschot op een van de Nederlandse Spoorwegen te ontvangen schadevergoeding betaald van € 17.050. Eind april 2009 heeft werknemer zijn vordering op de Nederlandse Spoorwegen om niet aan SVB gecedeerd. Op 14 mei 2009 is werknemer overleden. Op 15 oktober 2009 heeft SVB NS c.s. doen dagvaarden. Het hoger beroep heeft betrekking op de vraag of de vordering van werknemer op NS c.s. wegens immateriële schadevergoeding rechtsgeldig op SVB is overgegaan. Volgens NS c.s. is dit niet het geval omdat aan de vereisten voor de uitzondering op de hoofdregel van artikel 6:106 lid 2 BW - dat bepaalt dat het recht op vergoeding van immateriële schade niet vatbaar is voor overgang - niet is voldaan.
Het hof oordeelt als volgt. Artikel 6:106 lid 2 BW bepaalt dat het recht op immateriële schadevergoeding niet vatbaar is voor overgang, tenzij het bij overeenkomst is vastgelegd of ter zake een vordering in rechte is ingesteld. Vast staat dat tussen werknemer en NS c.s. niet een overeenkomst zoals hiervoor omschreven is gesloten. Evenmin is vóór het moment van cessie (te weten 27/29 april 2009) een vordering ter zake in rechte ingesteld nu de inleidende dagvaarding op 15 oktober 2009 is uitgebracht. Van een bekrachtiging in de zin van artikel 3:58 lid 1 BW - door het instellen van de vordering op 15 oktober 2009 zou volgens SVB de overgang van de vordering zijn bekrachtigd - is evenmin sprake. NS c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat zij eerst op het moment van de inleidende dagvaarding door SVB op de hoogte zijn geraakt van de akte van cessie en het niet vervuld zijn van het vereiste van artikel 6:106 lid 2 BW en het dus niet mogelijk was om zich voor die tijd op het gebrek te beroepen, laat staan dat zij die als geldig hebben aangemerkt. Het voorgaande betekent dat de vordering ter zake van immateriële schadevergoeding op 29 april 2009 niet rechtsgeldig door werknemer aan SVB is overgedragen. Het door SVB gedane beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt omdat hetgeen SVB in dat kader naar voren heeft gebracht - van een doodzieke werknemer kon in redelijkheid niet worden verwacht dat hij spoorslags zijn vordering in rechte geldend ging maken of met een weigerachtige wederpartij een overeenkomst ging sluiten ter zake van immateriële schadevergoeding en het onderschrijven van het oordeel van de kantonrechter over het intrekken van het wetsvoorstel om de beperking van de overdraagbaarheid van het recht op smartengeld te laten vervallen - onvoldoende is om het beroep van NS c.s. op artikel 6:106 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Daarbij dient te worden bedacht dat in ieder geval van een professionele partij als SVB mag worden verwacht dat zij op de hoogte was van de beperkingen die de wet stelt aan de overgang van vorderingen wegens immateriële schadevergoeding. Dit oordeel laat echter onverlet dat de erven van werknemer wel de mogelijkheid hebben om immateriële schadevergoeding van NS c.s. te vorderen, nu de laatste zin van artikel 6:106 lid 2 BW bepaalt dat voor overgang onder algemene titel voldoende is dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft meegedeeld op die vergoeding aanspraak te maken en werknemer in de brief van 17 juni 2008 (derhalve vóór de cessie van 27/29 april 2009) aanspraak heeft gemaakt op zowel materiële als immateriële schadevergoeding.