Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/A c.s.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 9 december 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:8783

werknemer/A c.s.

Werknemer is op staande voet ontslagen wegens geconstateerde onregelmatigheden bij aanbestedingsprocedure. Exhibitieplicht. Geen rechtmatig belang bij inzage diverse bescheiden (o.a. documenten die in onderzoek zijn betrokken).

Werknemer is sinds 1999 in dienst geweest van een BV. Laatstelijk heeft hij de functie van directeur bij vervoerder X BV bekleed. In de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en de BV is een geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding opgenomen. De provincie Limburg heeft op 26 juni 2014 een openbare aanbesteding uitgeschreven voor het openbaar vervoer in de provincie Limburg voor de periode van 2016 tot 2031. Eind 2013 begin 2014 is werknemer door B benaderd om bij A te komen werken. Werknemer heeft vervolgens overeenstemming met A bereikt over het sluiten van een arbeidsovereenkomst ingaande op 1 mei 2015. A heeft werknemer vanaf 1 mei 2014 via een adviesbureau ingehuurd. De door werknemer ten behoeve van A te verrichten werkzaamheden bestonden, onder andere, uit het deelnemen aan overleggen over de aanbesteding. C, deel uitmakend van B, heeft op 3 november 2014 haar inschrijving (offerte) ingediend voor de aanbesteding. Deze inschrijving is voorbereid door medewerkers van A, welk bedrijf ook tot B behoort. Een op basis van deze inschrijving te verwerven concessie zou door A worden uitgevoerd. Verder hebben op deze aanbesteding ingeschreven vervoerder Y en een combinatie Z. Vervolgens heeft de provincie Limburg de concessie op 10 maart 2015 definitief aan C gegund. Vervoerder Y en de combinatie Z hebben daartegen bezwaar gemaakt. De provincie Limburg heeft op 2 juni 2015 de gunning aan C ingetrokken en de concessie aan vervoerder Y gegund. Vervoerder Q heeft vervolgens op 19 maart 2015 haar huisadvocaat verzocht om een onderzoek in te stellen naar mogelijke onregelmatigheden. Op 8 mei 2015 is werknemer op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief wordt onder meer verwezen naar geconstateerde onregelmatigheden die in het onderzoeksrapport naar voren komen in het licht van de voorbereiding van de aanbesteding. Werknemer heeft het ontslag op staande voet aangevochten. In de onderhavige procedure vordert werknemer inzage in diverse bescheiden: onder andere stukken uit het onderzoeksrapport, verklaringen van bestuurders en medewerkers, notulen van diverse vergaderingen van de raad van commissarissen/raad van bestuur van vervoerder Q, A, C en D en uitgewisselde correspondentie. Primair is de vordering gebaseerd op artikel 843a Rv. Werknemer voert in dit verband, onder andere, aan dat hij deze stukken nodig heeft om het aan hem verleende ontslag op staande voet aan te kunnen vechten, om verweer te kunnen voeren in de voorwaardelijke ontbindingsprocedure en om te bepalen of hij op grond van onrechtmatige daad een schadevergoedingsvordering tegen A c.s. zal instellen of niet.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In het eerste lid van artikel 843a Rv is bepaald dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Het staat vast dat R de huisadvocaat is van vervoerder Q. Vervoerder Q heeft R verzocht om een objectief en onafhankelijk beeld te geven van de feitelijke gang van zaken rondom de mogelijke onregelmatigheden bij de aanbesteding inzake de concessie betreffende het openbaar vervoer in Limburg, en meer specifiek met betrekking tot de onregelmatigheden inzake (a) de indiensttreding van werknemer bij A, (b) het delen van informatie van vervoerder X door werknemer met A en C. Het vervolgens door R uitgebrachte voorlopige rapport is publiekelijk en in het politieke debat tussen de minister van Financiƫn en de Tweede Kamer ter discussie komen te staan. Er zijn daarbij met name vraagtekens geplaatst bij de onpartijdigheid van R bij het opstellen van het voorlopige rapport, omdat R vervoerder Q ook bijstond als advocaat. F heeft een verificatieonderzoek uitgevoerd. F heeft geconcludeerd dat R haar onderzoek zo heeft ingericht en uitgevoerd dat het een objectief en onafhankelijk beeld van de onderzochte onderwerpen kon opleveren, en het voorlopig rapport en het definitief rapport van R een objectief en onafhankelijk beeld van de onderzoeksbevindingen geven. Er zijn geen aanknopingspunten dat het door F verrichtte verificatieonderzoek en opgestelde rapport ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat werknemer, in het licht van het door F uitgevoerde verificatieonderzoek en het door haar in dit verband uitgebrachte verificatierapport, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hij een rechtmatig belang heeft bij het verschaffen van een afschrift van de genoemde stukken dan wel bij het verlenen van inzage in die stukken. Werknemer heeft slechts volstaan met in algemene bewoordingen te zeggen dat het hem onbekend is wat er in de door hem gevorderde stukken staat en dat hij deze stukken daarom zelf moet zien. Dit is echter gelet op wat hiervoor ten aanzien van het door F uitgevoerde verificatieonderzoek is overwogen onvoldoende. Dit onderzoek neemt immers de door werknemer geuite twijfel over de deugdelijkheid van de door R uitgevoerde onderzoeken en de in de rapporten vermelde conclusies (bevindingen), in beginsel, weg. Bij gebrek aan concrete aanwijzingen dat de door werknemer gewenste onderliggende stukken voor hem van meerwaarde zijn in het kader van zijn geschil met A c.s., resteert niet meer dan het vermoeden dat deze bescheiden mogelijk informatie bevatten die het standpunt van werknemer zou kunnen onderbouwen of van A c.s. zou kunnen ontkrachten. Dit is zodanig speculatief dat dit geen rechtmatig belang oplevert. Het voorgaande is wellicht anders wanneer A c.s. zich in de procedures inzake het door haar ingeroepen ontslag op staande voet en/of haar verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer zou beroepen op de concrete - niet uit de rapporten van R blijkende - inhoud van de door werknemer in deze procedure gevraagde stukken (interviewverslagen en andere documenten waarnaar in de rapporten van R wordt verwezen). Ook wordt in aanmerking genomen dat het partijdebat betreffende het ontslag op staande voet en de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog grotendeels moet worden gevoerd. Het is gelet daarop in dit stadium nog niet duidelijk welke stellingen van partijen als niet of onvoldoende weersproken zullen vaststaan, welke gevolgen dit heeft voor de mogelijke bewijslevering, en/of de stukken waarvan thans afgifte/inzage wordt gevorderd aan dat bewijs kunnen bijdragen. Ook ten aanzien van de overige stukken wordt geoordeeld dat werknemer geen rechtmatig belang heeft bij inzage in die stukken.