Rechtspraak
UWV/werkgeefster
Werkgeefster heeft gedurende 104 weken het loon doorbetaald aan een zieke werknemer. Aan werkgeefster is door het UWV een loonsanctie opgelegd, omdat re-integratie in het tweede spoor te laat is ingezet. Het UWV heeft het bezwaar van werkgeefster ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van werkgeefster gegrond verklaard. In hoger beroep heeft UWV aangevoerd dat de arbeidsdeskundige duidelijk heeft vermeld dat een deskundigenoordeel een momentopname is en dat deze bij de beoordeling over de tijdigheid van de inzet van het tweede spoor een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt. Naar het oordeel van UWV kon werkgeefster uit het deskundigenoordeel niet afleiden dat zij aan al haar verplichtingen had voldaan. Het tweede spoor is te laat ingezet en dat kon werkgeefster niet meer met terugwerkende kracht herstellen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Uitgaande van wat in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd, wordt geoordeeld dat het door UWV in hoger beroep ingenomen standpunt niet juist is. Ook de Raad is van oordeel dat het werkgeefster niet voldoende duidelijk kon zijn dat zij niet mocht afgaan op het deskundigenoordeel dat de inspanningen tot dan toe voldoende waren geweest. Op het aanvraagformulier van 23 november 2011 heeft werkgeefster de situatie waarover zij een oordeel van UWV wenste te verkrijgen omschreven als ‘Graag uw oordeel of er tot nu toe afdoende inspanningen door de werkgever verricht zijn. Inmiddels is ook Spoor-2 ingezet’. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een arbeidsdeskundige een onderzoek ingesteld en op 18 december 2011 een rapport uitgebracht waarvan de conclusie luidt dat de door de werkgeefster uitgevoerde re-integratie-inspanningen als voldoende zijn aan te merken en men op het goede spoor zit. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraken van 22 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV6619) en 22 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2429) mag de werkgever in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest, indien niet is gebleken van enig voorbehoud. De kennelijk als voorbehoud beoogde vermelding in het arbeidskundig rapport van 18 december 2011 over toetsing van het tweede spoor kan niet de betekenis krijgen die UWV daaraan gehecht wenst te zien. Gelet op de expliciete vraag van werkgeefster in de aanvraag, was het werkgeefster er juist om te doen om via het deskundigenoordeel te vernemen of, met inbegrip van het inmiddels gestarte tweede spoor, tot dan toe afdoende re-integratie-inspanningen waren verricht. Werkgeefster mocht er, gelet op de bewoordingen in de brief van 23 december 2011, van uitgaan dat die inspanningen tot dan toe voldoende waren. Het in hoger beroep door UWV ingenomen standpunt dat ten tijde van het deskundigenoordeel reeds sprake was van een te laat ingezet tweede spoor dat niet meer te herstellen was, waaruit in de opvatting van UWV volgt dat het tekortschieten van werkgeefster in de re-integratie-inspanningen niet is beïnvloed door een minder juiste of onvolledige beoordeling door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 18 december 2011, verdraagt zich niet met het karakter van een tijdig aangevraagd deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen waarvan het juist de bedoeling is werkgever en werknemer een handvat te bieden voor een verdere adequate re-integratie en voor het herstel van eventuele bij het deskundigenoordeel geconstateerde tekortkomingen. UWV heeft niet onderbouwd gesteld dat in de re-integratieperiode na het deskundigenoordeel van ongeveer een halfjaar geen adequaat tweedespoortraject meer kon plaatsvinden. De aangevallen uitspaak wordt bevestigd.