Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 december 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:5229
Vereniging van middenkader en hoger personeel van MSD en 128 werknemers/Merck Sharp & Dohme B.V., Intervet International B.V. en Organon (MSD)
(Hoger beroep van AR 2013-0311.) SPPF voert de op de werknemers van Organon c.s. van toepassing zijnde pensioenregeling zoals omschreven in de CAO Organon BioSciences Nederland uit. De pensioenregeling heeft een gemengd karakter in die zin dat deze voor een deel bestaat uit een collectieve middelloonregeling (kapitaalovereenkomst als bedoeld in art. 10 aanhef en onderdeel c PW) en voor een deel uit een individuele beschikbare premieregeling (premieovereenkomst als bedoeld in art. 10 aanhef en onderdeel c PW). Per 1 september 2010 heeft het bestuur van SPPF een aantal maatregelen doorgevoerd die tot gevolg hebben dat de deelnemers aan de BP-regeling (beschikbare premieregeling, onderdeel van de pensioenregeling) bij pensionering voor het door belegging van hun premies opgebouwde kapitaal een aanzienlijk lager pensioen kunnen inkopen, soms tientallen procenten minder dan zonder het toepassen van de aangekondigde maatregelen. De aangekondigde maatregelen betreffen een aanpassing van de tarieven voor inkoop op basis van de nu bekende levensverwachting, toepassing van een solvabiliteitsopslag en toepassing van een excasso-opslag. De Vereniging van middenkader en hoger personeel van MSD en 128 (oud-)werknemers (hierna: VMHP c.s.) stellen dat het op grond van het goed werkgeverschap op de weg van Organon ligt om de negatieve gevolgen van de maatregelen voor VMHP c.s. te compenseren. Gesteld wordt dat Organon c.s. niet aan de informatieplicht hebben voldaan. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. In de kern komt het betoog van VMHP en werknemers erop neer dat in de verschillende couranten en brochures niet wordt vermeld dat de uiteindelijke pensioenuitkomsten niet alleen afhankelijk zijn van de beleggingsresultaten van de gespaarde premies, maar ook van de waarderingsgrondslagen. Nu de term ‘waarderingsgrondslagen’ in het pensioenreglement niet gedefinieerd is en de solvabiliteitsopslag en de excasso-opslag pas sinds 1 september 2010 ten laste van de deelnemers zijn gebracht, mogen deze opslagen niet voor rekening van werknemers komen, aldus VMHP en werknemers. Voorts klagen zij over het gebrek aan informatie.
Het hof oordeelt als volgt. Voor de uitleg van de pensioenreglement geldt de cao-norm. Uit het enkele feit dat de term ‘waarderingsgrondslagen’ niet is gedefinieerd in het pensioenreglement, niet volgt dat de hier aan de orde zijnde opslagen daarom niet tot de inhoud van de pensioenovereenkomst behoren. MSD wijst er terecht op dat, nu de term ‘waarderingsgrondslag’ niet is gedefinieerd, de betekenis daarvan moet worden gevonden in de kenbare aard en strekking van de regeling, waarbij gelet dient te worden op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties kunnen leiden. Uit de redactie van artikel 3.7 volgt dat partijen het aan het bestuur van SPPF hebben overgelaten om te bepalen naar welke waarderingsgrondslagen de omzetting van het BP-spaarsaldo naar (aanvullend) ouderdomspensioen dient plaats te vinden. Dat het nodig is om waarderingsgrondslagen te gebruiken bij die omzetting is evident en niet door VMHP en werknemers betwist. Dat het aan (het bestuur van) SPPF is overgelaten om de waarderingsgrondslagen vast te stellen volgt uit de omstandigheid dat SPPF de uitkering zal moeten gaan betalen en rekening dient te houden met (on)mogelijkheden daarvan in de toekomst. Het hof is van oordeel dat VMHP en werknemers op grond van de vóór 1 september 2010 door SPPF gehanteerde financieringsmethode met betrekking tot de solvabiliteitsopslag en de excasso-opslag niet mochten verwachten of ervan mochten uitgaan dat partijen die opslagen daarmee uitsloten van de in artikel 3.7 van het pensioenreglement vermelde waarderingsgrondslagen. Daarvoor bestaan geen objectieve aanknopingspunten in de cao of in het pensioenreglement. Objectieve aanknopingspunten voor een dergelijke uitleg zouden in dit geval temeer vereist zijn nu uit artikel 3.7 geen enkele beperking in dat opzicht kan worden afgeleid; integendeel, in dat artikel is expliciet bepaald dat het bestuur de waarderingsgrondslagen vaststelt. Een uitleg in de door VMHP en werknemers voorgestane zin zou tot het - onaannemelijke - rechtsgevolg leiden dat SPPF verplicht is de solvabiliteitsopslag en de excasso-opslag niet te financieren uit de inkooptarieven van de BP-pensioenen, terwijl SPPF ook ter zake de uitbetaling van die pensioenen wél kosten wegens solvabiliteit- en excasso-risico maakt. Een dergelijke verplichting is onverenigbaar met het bepaalde in artikel 3.7 pensioenreglement, waarin juist aan het bestuur van SPPF de vrijheid is gelaten de waarderingsgrondslagen vast te stellen.
VMHP en werknemers hebben aangevoerd dat zij door MSD voorafgaand aan de totstandkoming van de BP-regeling in 2001 er niet op zijn gewezen dat MSD slechts gehouden was premie te betalen en dat alle overige risico’s bij werknemers zouden liggen. Sterker, MSD heeft in de informatievoorziening voorafgaand aan de totstandkoming van de BP-regeling de indruk gewekt dat met deze regeling (en de middelloonregeling) grosso modo een zelfde resultaat zou worden behaald als met een volledige middelloonregeling (waarbij alleen mogelijk een verschil zou kunnen ontstaan door positieve of negatieve beleggingsopbrengsten). Volgens VMHP en werknemers heeft MSD bij herhaling gewezen op het beleggingsrisico, maar nimmer op de onderhavige opslagen. Anders dan VMHP en werknemers hebben gesteld valt ook overigens niet in te zien dat op MSD een informatieplicht rustte omdat VMHP onvoldoende kennis van zaken had. MSD mocht erop vertrouwen dat VMHP wel voldoende kennis had of kon verkrijgen over de voorgestelde pensioenregeling, eventueel door inschakeling van deskundigen. De onderhavige pensioenregeling is immers tot stand gekomen na jarenlange voorbereiding (vanaf 1994), overleg en onderhandelingen daarover. VMHP en werknemers zijn in de memorie van grieven niet nader ingegaan op hetgeen door MSD in de conclusie van dupliek specifiek is aangevoerd over het onderhandelingsproces, namelijk dat op detailniveau de tekst van het concept-pensioenreglement, bepaling voor bepaling, is doorgenomen. Dat laatste brengt niet mee dat MSD informatie diende te verstrekken over de onderhavige opslagen, zoals VMHP en werknemers in hun antwoordakte hebben aangevoerd. Integendeel, uit deze gang van zaken kon en mocht MSD afleiden dat VMHP voldoende deskundig was om zelf alle eventuele risico’s van de BP-regeling in te schatten. MSD hoefde er daarom geen rekening mee te houden dat VMHP niet begreep welke risico’s aan de BP-regeling kleefden. Maar zelfs als MSD wist of besefte dat VMHP geheel en uitsluitend afging op de door MSD verstrekte informatie, valt niet goed in te zien waarom MSD dan VMHP van nadere informatie diende te voorzien. Daartoe acht het hof van belang dat VMHP zichzelf presenteert als een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die volgens artikel 2 van haar statuten een drietal doelen heeft: (1) het behartigen van de sociale en economische belangen van het middenkader en hoger personeel in dienst van MSD, en in het bijzonder van haar leden en in voorkomende gevallen van hun nagelaten betrekkingen; (2) het weergeven van de zienswijze van haar leden in aangelegenheden van sociaal-economische en maatschappelijke aard en het aanwenden van invloed om deze zienswijze te realiseren; (3) het bijdragen aan goede verhoudingen binnen het MSD-concern. Hoe VMHP meent doel 1 te kunnen bereiken zonder zelf over voldoende kennis te beschikken of zich van voldoende kennis te voorzien is niet goed te begrijpen. VMHP is nota bene een vakbond voor hoger personeel. MSD hoefde niet te verwachten dat een vakbond die zich als hiervoor weergegeven presenteert, onvoldoende professionaliteit heeft om als gelijkwaardige partner het onderhandelingsproces te voeren.