Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15 december 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:5236
werkneemster/Accenture
In navolging op ECLI:NL:GHAMS:2010:2265 en ECLI:NL:GHAMS:2011:1234 heeft het hof twee deskundigen benoemd om antwoord te geven op de vraag of (1) werkneemster lijdt aan RSI/CANS en (2) of deze aandoeningen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij Accenture. De deskundigen oordelen als volgt. Zowel I als J maakt er melding van dat klachten als die van werkneemster in een relevant percentage voorkomen in de bevolking. I beschrijft dat circa 10 tot 20% van de Nederlanders deze klachten heeft zonder dat daarvoor een oorzaak in de werkomstandigheden kan worden aangegeven. Het is natuurlijk waar, zoals van de zijde van werkneemster opgemerkt, dat dat niet uitsluit dat er arbeidsgebonden risicofactoren zijn met een verhoogde kans op het ontwikkelen van dergelijke klachten. Waar het echter om gaat, is dat het hiervoor genoemde gegeven tot behoedzaamheid noopt bij het leggen van een verband tussen het ontstaan van de onderhavige klachten en arbeidsomstandigheden. Het hof verstaat de beide deskundigenberichten op dit punt in die zin. Werkneemster bestempelt de passage in het rapport van I dat er betrekkelijk weinig wetenschappelijke evidentie is over werkomstandigheden en het ontstaan van RSI-achtige klachten als onjuist. Deze passage kenmerkt volgens werkneemster het gebrek van I aan kennis over de arbeidsgebondenheid van de gezondheidsklachten als die van haar. Het hof acht deze kritiek niet gegrond. Uit zijn rapport volgt dat I allerminst miskent dat – zoals werkneemster betoogt onder verwijzing naar bijvoorbeeld een multidisciplinaire richtlijn – bepaalde arbeidsomstandigheden (I noemt: langdurig werken in dezelfde houding zonder pauzes met hoge werkdruk, slechte werksfeer en een perfectionistische werkhouding) het risico meebrengen van het ontstaan of toenemen van RSI-achtige klachten, maar dat laat onverlet de observatie van I dat er over deze relatie betrekkelijk weinig wetenschappelijke evidentie is. Op grond van de deskundigenberichten van I onderscheidenlijk van J, met de inhoud waarvan het hof zich verenigt, komt het hof tot het oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de gezondheidsklachten van werkneemster kunnen zijn veroorzaakt door haar werkzaamheden bij Accenture. Er is geen plaats voor het vermoeden dat de gezondheidsschade van werkneemster is veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden bij Accenture, laat staan dat zodanig verband aanwezig kan worden geoordeeld.