Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22 december 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:5420
X Juridische Bijstand, Loterijverlies.nl BV c.s./werknemer
Werknemer is vanaf 1 mei 2008 in dienst van X Juridische Bijstand en daarna voor verschillende rechtpersonen van X. Onderdeel van de arbeidsovereenkomst is een bonusregeling van 6% na kosten van een eventueel geïncasseerd no cure, no pay-bedrag exclusief btw van de actie Loterijverlies. De arbeidsovereenkomst is tegen 1 december 2013 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 11.340 bruto, waarbij de C-factor op 1,5 is bepaald. Een onderdeel van X heeft met succes een procedure gestart tegen de Staatsloterij. In de onderhavige procedure vordert werknemer nakoming van de bonusregeling. De bonus vertegenwoordigt een waarde van tussen € 225.000 en € 350.000. Werkgever verweert met de stelling dat de procedure tegen de Staatsloterij nog steeds geen onvoorwaardelijke aanspraak heeft opgeleverd tijdens het dienstverband van werknemer. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat de bonusregeling heeft bestaan tot 1 december 2013 en dat de vergoeding (bonus) dient te worden gebaseerd op de ‘no cure no pay fee’ van de ten tijde van de ontbinding aangemelde deelnemers bij de actie Loterijverlies.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat het bepaalde in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen duidelijk is, te weten dat slechts aanspraak bestaat op een bonus indien werknemer nog in dienst is bij werkgever op het tijdstip van het incasseren van de no cure no pay fee met betrekking tot de actie Loterijverlies. Daarbij is in de arbeidsovereenkomst geen onderscheid gemaakt in de wijze van beëindiging daarvan en evenmin komt in dit verband betekenis toe aan het gegeven op wiens initiatief de beëindiging plaatsvindt. Voor enige andere uitleg bestaat geen aanknopingspunt. Voorts heeft te gelden dat het in beginsel een werkgever vrijstaat aan de eventuele verschuldigdheid van een bonus de voorwaarde te verbinden dat de betreffende werknemer nog in dienst moet zijn van de werkgever op het moment dat de bonus tot uitkering komt. Omstandigheden die dat in dit geval anders maken zijn door werknemer niet aangevoerd en ook niet gebleken. Uiteraard onderkent het hof het - mogelijk grote - financiële belang van werknemer bij een aanspraak op de bonus, maar dat maakt de uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraak niet anders. Evenmin is van belang dat werkgever (als jurist) degene is geweest die de tekst van het beding heeft geformuleerd (en in die zin als de professionele partij is aan te merken), zoals werknemer heeft gesteld, omdat werknemer geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat hij er redelijkerwijs van uit kon gaan dat ook wanneer de arbeidsovereenkomst tot een einde zou komen voordat de (eventuele) fee ter beschikking kwam en de bonus betaalbaar was, hij daarop toch aanspraak zou kunnen maken. Voor zover de kantonrechter het beding postcontractuele werking heeft toegekend, miskent de kantonrechter de tekst van het beding.
Voor zover echter het oordeel van de kantonrechter moet worden gezien als het toekennen van een vergoeding naar billijkheid in de zin van artikel 7:685 BW, doet het geen recht aan het uitgangspunt dat als peildatum voor die toe te kennen vergoeding alleen ten tijde van de ontbindingsbeschikking bekende ter zake dienende factoren mogen worden meegewogen. Het hof ziet zich daarom voor de vraag gesteld of gezien alle omstandigheden ten tijde van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in aanmerking genomen, aan het verlies van de kans op een bonusuitkering enig gewicht toekomt bij het vaststellen van een ontbindingsvergoeding en zo ja, tot welke (aanvullende) vergoeding dat zou dienen te leiden. Daarbij geldt als uitgangpunt dat de betreffende kans dient te worden gewaardeerd tegen de achtergrond van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013, waarbij geoordeeld is dat de Staatsloterij in de periode 2000 tot en met 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan over de hoogte van de prijzen en waarbij de Staatsloterij verder is veroordeeld tot vergoeding van de door Loterijverlies gemaakte en te maken (buitengerechtelijke) kosten. Naar het oordeel van het hof was de kans op door de Staatsloterij te betalen schadevergoeding op het moment van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zodanig gering vanwege allerlei processuele problemen zoals daar zijn het bewijs dat er door individuele deelnemers is meegespeeld met de Staatsloterij, voor welk bedrag en de vraag of zij zich zouden hebben onthouden van meespelen indien de Staatloterij een juiste voorstelling van zaken had gegeven over de hoogte van de prijzen en de winstkansen, dat een (aanvullende) vergoeding als bedoeld in artikel 7:685 lid 8 (oud) BW niet op zijn plaats is.