Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 januari 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:15
werknemer/Stichting Installatiewerk Midden
Werknemer is op 6 september 2010, op basis van een arbeidsovereenkomst, bij IWM in dienst getreden. Deze arbeidsovereenkomst is gesloten op het moment dat werknemer een mbo-opleiding Elektrotechniek ging volgen. Gedurende de opleiding heeft werknemer gewerkt bij bedrijven waar IWM hem had gedetacheerd. Werknemer heeft op 6 maart 2015 ontslag op staande voet genomen. Hij heeft daarvoor als redenen aangedragen dat IWM sedert 12 januari 2015 geen loon meer betaalde, geen passend werk heeft aangeboden en hem per saldo vasthoudt in een situatie waarin hij geen inkomsten ontvangt, noch mogelijkheden krijgt die te verwerven. Werknemer vordert nu betaling van het loon over de periode 12 januari-6 maart 2015 en een gefixeerde schadevergoeding. Ter onderbouwing van die vordering stelt werknemer dat IWM jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de tussen hen bestaand hebbende arbeidsovereenkomst. IWM voert gemotiveerd verweer.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of IWM gehouden is tot betaling van loon over de periode 12 januari 2015 tot 6 maart 2015 is allereerst van belang vast te stellen hoe de rechtsverhouding die tussen partijen heeft bestaan moet worden geduid. In een recent arrest (HR 9 oktober 2015, JAR 2015/277, ECLI:NL:HR:2015:3019) heeft de Hoge Raad zijn licht laten schijnen op de vraag of overeenkomsten die een bedrijf dat bemiddelde bij het vinden van beroepspraktijkvormingsplaatsen (leerwerkplekken) bij bedrijven in de logistieke sector voor leerlingen in het middelbaar beroepsonderwijs, sloot met de leerlingen, als uitzendovereenkomsten moesten worden aangemerkt. Als maatstaf heeft te gelden of de werkzaamheden van de stagiair naar de bedoeling van partijen zijn gericht op het uitbreiden van eigen kennis en ervaring van de stagiair, zulks mede met het oog op de voltooiing van zijn opleiding, dat van een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt voor de andere arbeid te verrichten niet kan worden gesproken. In dit geval kan niet gesproken worden van een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt voor de andere arbeid te verrichten. Werknemer werkte immers een volledige werkweek bij de bedrijven waar hij was gedetacheerd en werd geacht in de avonduren het theoretische deel van zijn opleiding te volgen. Bovendien heeft werknemer werkzaamheden verricht die niet goed aansloten op zijn opleiding. De rechtsverhouding dient dan ook te worden getypeerd als een uitzendovereenkomst. De beslissing van IWM om werknemer aan te merken als ‘bankzitter verwijtbaar gedrag’ moet worden beschouwd als een schorsing van werknemer. Een schorsing ligt in de risicosfeer van de werkgever, zodat de werkgever ook tijdens een schorsing verplicht is tot doorbetaling van loon. De werkgever kan zich immers, zolang de arbeidsovereenkomst bestaat, niet eenzijdig aan de verplichting tot loonbetaling onttrekken, ook niet ingeval het gedrag van de werknemer grond voor schorsing oplevert. Dit betekent dat IWM niet gerechtigd was de loonbetalingen aan werknemer stop te zetten en dat in het midden kan blijven of werknemer inderdaad verwijtbaar heeft gehandeld. De vordering tot betaling van loon ligt dus voor toewijzing gereed. Dit wil niet zeggen dat IWM schadeplichtig is. Op 6 maart was er namelijk geen sprake meer van een dringende noodzaak om de impasse te doorbreken. Uit de mail van 5 maart 2015 blijkt immers dat werknemer met ingang van 9 maart 2015 weer ‘gewoon bankzitter’ zou worden, hetgeen impliceerde dat de loonbetalingsverplichtingen met ingang van die datum zouden worden hervat. Dat het niet betalen van loon over de periode 12 januari 2012 tot 6 maart 2015 werknemer zodanig in de problemen heeft gebracht dat dit enkele gegeven een dringende reden voor ontslag op staande voet opleverde is niet gesteld noch gebleken. De vordering tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding zal worden afgewezen.