Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 10 februari 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:553
werknemer/Wilco Printing & Binding B.V.
Werknemer is op 1 mei 2006 in dienst getreden van Wilco Printing & Binding B.V. (hierna: Wilco) in de functie van medewerker binderij. Indien medewerkers van Wilco een boek mee naar huis willen nemen dienen zij toestemming van de leidinggevende te vragen. Indien deze toestemming wordt verleend moet de leidinggevende een stempel in het boek plaatsen. Door Wilco zijn in de jaren 2006 tot en met 2013 meerdere memo’s verstuurd aan de medewerkers van Wilco waarin wordt medegedeeld dat het zonder toestemming meenemen van boeken niet wordt getolereerd en dat daarop ontslag op staande voet zal volgen. Op woensdag 7 oktober 2015 heeft werknemer drie Fantasia IX-boeken van de werkplek meegenomen. De boeken waren niet voorzien van een stempel. Naar aanleiding van het voorgaande is werknemer diezelfde dag op staande voet ontslagen, hetgeen hem bij brief van 7 oktober 2015 is bevestigd. Werknemer verzoekt de kantonrechter onder meer het ontslag op staande voet te vernietigen. Hij legt aan het verzoek ten grondslag dat er geen sprake is van een dringende reden nu werknemer toestemming heeft gekregen van zijn leidinggevende om de boeken mee te nemen. Wilco voert verweer en verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met werknemer voorwaardelijk te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 284 Rv zijn de bepalingen omtrent het bewijsrecht uit de dagvaardingsprocedure van overeenkomstige toepassing op de verzoekschriftprocedure, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Het gaat in deze zaak om een bodemzaak, waarin partijen bij de beantwoording van de vraag wat er feitelijk is gebeurd ten aanzien van het gegeven ontslag op staande voet rechtstreeks tegenover elkaar staan. Ten behoeve van de waarheidsvinding is het noodzakelijk een getuigenverhoor te laten plaatsvinden. De aard van de procedure verzet zich dus niet tegen de toepasselijkheid van het bewijsrecht als geregeld in artikel 149 tot en met 207 Rv. Het belang van partijen om snel duidelijkheid te hebben omtrent de vraag of tussen hen nog een arbeidsovereenkomst bestaat of niet weegt dan minder zwaar dan de waarheidsvinding en daarmee een zorgvuldige afdoening van de zaak. Op Wilco rust de stelplicht en de bewijslast van de door haar gegeven dringende reden, te weten dat werknemer de drie Fantasia IX-boeken zonder toestemming heeft meegenomen. Hetgeen Wilco ter ondersteuning van haar standpunt heeft overgelegd (de schriftelijke en ondertekende verklaringen van de leidinggevende van werknemer en de chef eindproduct) is niet voldoende om het bewijs geleverd te achten, nu werknemer deze gang van zaken betwist. Daarom zal Wilco moeten bewijzen dat werknemer zonder toestemming de drie Fantasiaboeken heeft meegenomen. De kantonrechter stelt Wilco hiertoe in de gelegenheid. De beslissing omtrent het voorwaardelijk ontbindingsverzoek wordt, op grond van het voorgaande, aangehouden.