Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 februari 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:657
werknemer/zelfstandig bestuursorgaan naar publiekrecht CBR
Werkneemster is op 1 september 1996 als rijexaminator in dienst getreden bij CBR (examencentrum Amsterdam). In 2002 is werkneemster tijdens haar werkzaamheden een auto-ongeluk overkomen, als gevolg waarvan zij lange tijd arbeidsongeschikt is geweest. Per 1 december 2008 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen in verband met de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van werkneemster gewijzigd, in die zin dat is vastgesteld dat de omvang van het dienstverband 32 uur per week (70% van de normale arbeidsduur) bedroeg. In 2011 is tijdens een functioneringsgesprek het lage slagingspercentage bij werkneemster aan de orde gesteld en afgesproken dat dit percentage moest stijgen. In de jaren erna is dit punt steeds teruggekeerd, alsmede haar wijze van communiceren. Coaching is aangeboden. Op 2 juli 2015 heeft een Examentechnische vaardigheid (ETEV)-beoordeling plaatsgevonden door X. Het eindresultaat werd als onvoldoende beoordeeld. Het inleidend gesprek is in alle examens onvoldoende. Werkneemster deed, aldus X, haar best kandidaten op hun gemak te stellen, maar zij slaagde daar echter niet in door haar wijze van communiceren. Werkneemster is vervolgens vrijgesteld van werkzaamheden en uit de functie van examinator gezet. CBR heeft verzocht de arbeidsovereenkomst op grond van een d-grond te ontbinden onder toekenning van de transitievergoeding (€ 27.923 bruto). De kantonrechter heeft aldus geoordeeld. Volgens werkneemster heeft de kantonrechter ten onrechte disfunctioneren aangenomen.
Het hof oordeelt als volgt. CBR heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat werkneemster ongeschikt is gebleken voor de bedongen arbeid als examinator van CBR, dat zij werkneemster hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en dat zij werkneemster in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren. Uit deze feiten blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat werkneemster ongeschikt is voor haar werkzaamheden als rijexaminator en dat CBR voldoende heeft gedaan om haar in staat te stellen op het gewenste niveau te komen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de stukken niet alleen blijkt dat werkneemster in ieder geval vanaf 2011 een (te) laag slagingspercentage had en dat zij daarop vanaf 2011 regelmatig door haar leidinggevende is gewezen, maar ook dat vanaf het jaargesprek van 24 oktober 2013 in ieder volgend voortgangs- of jaargesprek expliciet aan de orde is gekomen dat haar communicatieve vaardigheden onvoldoende waren, hetgeen ook heeft geleid tot klachten van rijscholen. Anders dan werkneemster betoogt, is het hof van oordeel dat werkneemster voldoende intensief is gecoacht: eerst door haar coach A en, toen dat niet afdoende bleek, door verschillende docenten - onder wie een door haar uitgekozen docent (B ) - tijdens een op maat gemaakte heropleiding van ruim drie maanden. Er bestaat geen grond om aan te nemen dat de ongeschiktheid het gevolg is van onvoldoende zorg van CBR voor scholing van werkneemster of voor de arbeidsomstandigheden van werkneemster. Dat deze conclusie volgens werkneemster binnen het CBR niet door iedereen wordt gedeeld, doet, wat daarvan verder ook zij, niet ter zake.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of zich in deze zaak de uitzonderingssituatie van artikel 7:671b lid 6 aanhef en onderdeel a BW voordoet dat het aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde disfunctioneren van werkneemster geen verband houdt met haar gezondheidstoestand. Relevant voor de beantwoording van die vraag is dat werkneemster eerst ziek is geworden enkele weken nadat CBR haar op 7 juli 2015 had meegedeeld dat zij geen rijexaminator meer kon zijn. De ontbinding houdt derhalve geen verband met het opzegverbod. Evenmin is sprake van schending van de herplaatsingsplicht. Ten aanzien van de vacatures voor de functie van (assistent-)productmanager CCV, recruiter of business controler stafdiensten, heeft CBR onweersproken gesteld dat werkneemster gezien haar opleidingsniveau en arbeidsverleden niet geschikt is voor deze functies. De functie van examinator waarvoor kennelijk ook vacatures zijn, is vanzelfsprekend geen andere passende functie. Niet gebleken is dat er verder nog (structurele) vacatures bij CBR zijn. Dit geldt ook voor administratieve functies.